steun vpro

De uitvinding die te lang bleef

De uitvinding die te lang bleef

Wat molens kunnen, dat krijgen we eigenlijk zelf ook wel voor elkaar: malen, zagen, pompen, persen en wat nog meer. Toch leggen we het af tegen de reusachtige windvangers, omdat onze spierkracht niet op kan tegen natuurlijke krachten als water en wind. Voorwaarde is wel dat de elementen op een efficiënte manier worden omgezet in arbeid. En dat is precies waarvan de vroege Hollanders hun specialisme hebben gemaakt. Gedurende honderden jaren is de omzetting van wiekslag naar arbeid in de Lage Landen stukje bij beetje geperfectioneerd. De molen is, in tegenstelling tot wat toeristische folders vaak doen vermoeden, geen Hollandse vinding. Er waren zelfs al molens voordat Holland bestond. Waar de windmolen dan precies vandaan komt, zal wel altijd een raadsel blijven. In China wordt beweerd dat daar tweeduizend jaar al geleden de eerste molens draaiden, maar dat valt niet te achterhalen. Het oudste aanknopingspunt daarvoor stamt ‘pas’ uit de dertiende eeuw, en toen waren in Europa ook al volop molenaars te vinden. Rond de twaalfde en dertiende eeuw kwamen molens in onze omstreken echt tot ontwikkeling, vooral in Vlaanderen. Het zat dit gebied dan ook echt mee in die tijd, zodat het al vanaf de vroege Middeleeuwen dichtbevolkt raakte. Er ontstond een grote afzetmarkt voor agrarische producten en de behoefte aan vernuftige verwerkingsmethoden groeide gestaag. De houten windmolen is misschien wel het beste voorbeeld van de ingenieuze ambachtscultuur die daaruit ontstond. En bovendien, waaien deed het ook toen al overal in Vlaanderen. Een lange zeevaarttraditie leverde ten slotte onmisbare kennis over hoe men met windenergie diende om te gaan. Vlaanderen wordt vaak gezien als de bakermat van de grote molens die geschikt zijn voor het zwaardere werk. En jawel, de Hollandse industriële molen is dus eigenlijk een importproduct uit Vlaanderen. In 1582 liet de Vlaming Lieven Jansz een reeds bestaande molen in onderdelen overkomen. Hiervan bouwde hij in Alkmaar de eerste windmolen om olie te persen. En de rest... is geschiedenis. Volgens velen ontwikkelde de industriële molen zich in de eeuwen daarna als de motor achter de Gouden Eeuw. Hoezeer de molenaars van nu ook bekend mogen staan als moleneigenaars of -rentmeesters in goeden doen, was dat in de hoogtijdagen van de molen wel anders. Molenaars hadden vaak een slechte reputatie omdat ze tamelijk gretig waren met het innen van maalloon, de kosten die een boer moest betalen om zijn graan gemalen te krijgen. En door de vaak afgelegen locatie boden molens dikwijls onderdak aan duistere zaken, zoals prostitutie. Wat ook niet aan de populariteit van de molenaar bijdroeg was het regelmatig overtreden van de zondagsrust. Want ook op de rustdag lieten molenaars een gunstige bries niet lopen. Nog tot 1850 bleef het aantal windmolens in ons land groeien, ver na de lancering van de stoommachine. Nederland hield lang vast aan zijn verfijnde windmolens, misschien iets té lang, waardoor ons land op een industriële achterstand kwam te staan. Maar of deze vertraging meer te maken had met Hollandse koppigheid of de redelijk hoge prijs van steenkolen is niet helemaal duidelijk. Kort voordat ons land alsnog overstag ging en de stoommachine omhelsde, ontstonden her en der stoommolens, een mengvorm tussen windmolen en stoommachine. Tegenwoordig zijn er nog ongeveer 1000 klassieke windmolens in Nederland te vinden. Van een nieuw type molen komen er echter steeds meer. Ze heten geen molens meer, maar turbines, en hun wieken heten rotorbladen. Overal in Nederland, maar vooral langs de winderige kust en het uitgestrekte Flevoland zijn hele batterijen windturbines neergezet, als een nieuwerwetse versie van de molenverzameling bij Kinderdijk. Nu de plannen voor grootschalige windmolenparken, al dan niet in zee, beginnen te rijpen, verwacht de overheid dat windturbines in 2020 ongeveer 2 procent van onze totale energievoorziening op zich nemen. Elektriciteit uit windenergie klinkt modern, maar het idee is al meer dan honderd jaar oud. In 1888 werd in Ohio voor het eerst een grote windmolen omgebouwd tot generator. Het zou nog tot de jaren dertig duren voordat Russen als eerste gingen experimenteren met het op grote schaal opwekken van elektriciteit uit windenergie. De verdere ontplooiing van de windturbine zou nog de rest van de eeuw doorgaan - bij vlagen, afhankelijk van de brandstofprijzen op dat moment. In tegenstelling tot veel klassieke molens kunnen de wieken van windturbines vaak zowel links- als rechtsom draaien. Klassieke molenwieken draaien altijd linksom, dus tegen de klok in als je met je gezicht naar de molen staat. Waarom ze altijd die kant op draaien weet eigenlijk niemand zeker. De molinologische vraag der vragen wordt het daarom ook wel genoemd. Maar de Belgische molenkenner Paul Bauters weet er wel een passend antwoord op. Volgens Bauters is het allemaal terug te voeren op de houtstructuur van de roeden, zware balken die de basis vormen van de wieken. Deze hebben de neiging een beetje te vervormen wanneer de wind er grote krachten op uitoefent. Omdat de vezels van het veelgebruikte grenenhout in een spiraalvorm groeien, kunnen de roeden veel hogere krachten weerstaan als de wieken uitsluitend linksom draaien. En die spiraalvormige houtstructuur, op zijn beurt, ontstaat naar het schijnt door de draaiing van de aarde om de zon. In de beweging van de molenwieken is dus in zekere zin de beweging van het heelal terug te zien, speculeert Bauters erop los. Aschwin Tenfelde Uitzending: 11 juli 2004 Gasten: Dirk Jan Abelskamp, Herman Kaptein, Gerard Rooijakkers en Paul Bauters. Bronnen: Paul Bauters, Van zadelsteen tot zetelkruier, driedelige uitgave van provincie Oost-Vlaanderen, 1998.