Kun je als Congolese choreograaf eigenlijk wel een stuk maken dat níet over Congo gaat? Nou nee, vindt Djino Alolo Sabin. ‘Alles gaat altijd over Congo.’

Piki Piki

Maandag 3 juni, dinsdag 4 juni, 19.30 uur - Frascati 2

Het vertrekpunt voor Piki Piki, de voorstelling van de 27-jarige danser en choreograaf, mag dan een jeugdherinnering zijn aan een vastgelopen, roestige vrachtwagen (de piki piki) die hij en zijn vriendjes uit het dorp als klimrek gebruikten, maar concreet komt die in zijn choreografie niet aan bod. Pas aan het eind wordt het onder het zand bedolven voertuig genoemd. ’Zou je me eigenlijk niet over piki piki vertellen?’ vraagt de voice-over, die spreekt over Congo, de positie van de vrouw, de diverse onderdrukkers. 

De piki piki, vertelt Sabin de ochtend na de première in Brussel, is dé perfecte metafoor voor zijn vaderland, dat al jaren even muurvast zit als de gestrande truck, als gevolg van geweld, corruptie en zelfverrijking van opeenvolgende regimes. Het koloniale België, de regimes van Mobutu, Laurent Kabila en diens zoon Joseph, en tegenwoordig Tshisekedi – het is allemaal één pot nat. ‘Wie er ook aan de macht is, je blijft arm, onveilig en werkeloos.’

Het persoonlijke kán dus niet anders dan politiek zijn. Eigenlijk, zegt de danser en choreograaf, kun je in Congo überhaupt niet over ‘het persoonlijke’ spreken. ‘Alles gaat altijd over Congo.’

Zo ook de geschiedenis van Sabins familie. De tweede inspiratiebron voor Piki Piki was zijn grootvader. ‘Zijn foto,’ vertelt Sabin, ‘was de enige decoratie die bij ons thuis aan de muur hing. Mijn hele jeugd zag ik dat alleen dat: een afbeelding van een persoon die overleed omdat hij, met Lumumba, voor Congo wilde vechten. Zijn blik volgde mij, maande mij, spoorde mij aan mijn idealen te volgen. Zo raakte ik verbonden met zijn geschiedenis en is het verhaal van onze familie onverbrekelijk verbonden met de Congolese geschiedenis.’ 

In een filmpje in Piki Piki begraaft Sabins moeder het portret van de grootvader. ‘Als medewerker van het Rode Kruis heeft zij alleen maar oorlogsslachtoffers begraven.’ De voice-over haalt ook de wettekst aan die de man gebiedt zijn vrouw te beschermen. Als dank is de vrouw verplicht haar man te gehoorzamen. ‘Duizenden vrouwen in Congo, mijn moeder ook, worden door hun mannen mishandeld. Dankbaar, waarvoor?’

Of hij feminist is? ‘Ik weet niet hoe ik dat moet zijn. Maar ik ben het wel.’

Djino Alolo Sabin

Djino Alolo Sabin

afweren

Soms keert de politieke situatie in Congo (en Sabins leven) in tamelijk concrete beelden terug in de voorstelling, soms geabstraheerd, als een worsteling met ongrijpbare krachten, een angstig afweren. ‘Stel je voor, ik was tien jaar toen ik na een periode van zes dagen oorlog terugkeerde naar mijn dorp. Alles was gebombardeerd, overal lagen lijken. Ik kende ze allemaal. Hier mijn oom, daar mijn vriendje, daar de vader van... Dáárom hebben alle kunstenaars van mijn generatie het over Congo.’

De bloedrode strop die Sabin tijdens de voorstelling om zijn nek legt, mag dus gerust worden opgevat als symbool voor die wrede geschiedenis van het Midden-Afrikaanse land, in 2010 huiveringwekkend beschreven door de Vlaamse auteur David Van Reybrouck in zijn boek Congo. Een land waar de stem die ooit de hoop van de nieuwe, onafhankelijke staat vertolkte, met geweld het zwijgen werd opgelegd. Woorden uit de laatste brief die de vermoorde Patrice Lumumba, de eerste premier van het onafhankelijke Congo, schreef aan zijn vrouw Pauline, klinken aan het begin van de voorstelling. Het zijn woorden zonder illusie over zijn eigen lot, maar vol hoop voor het nieuwe Congo.

Al die politieke lading maakt van Piki Pikigeen simplistische, ‘boodschapperige’ voorstelling. Sabin combineert zijn Afrikaanse drang tot vertellen met een meer conceptuele, Europese benadering tot een hybride stijl met moderne en urban invloeden. In zijn solo doen beweging, tekst en film samen een indringend appel op inleving. 

Hoop op verandering, zoals Lumumba die nog had, ziet Sabin niet meer in Congo. Toch voelt hij dat hij een positieve rol kan vervullen. ‘De jongeren zien geen toekomst. Maar kijk naar mij! Ik heb mezelf bij mijn nekvel gegrepen en sta nu hier. Het kan dus, dát wil ik hen zeggen. Kunst redt misschien niet de wereld, maar heeft mij als individu wel gered.’

 

Djino Alolo Sabin: ‘Kijk naar mij! Ik heb mezelf bij mijn nekvel gegrepen en sta nu hier.’

Als danser was Djino Alolo Sabin (Kisangani, 1992) al een ‘volleerd autodidact’ toen zijn landgenoot Faustin Linyekula hem uitnodigde voor een vijfjarige opleiding in zijn instituut Studios Kabako. 
De toen 16-jarige street dancer kreeg er les van diverse toonaangevende Afrikaanse choreografen.

In Senegal volgde hij een stage aan de École des Sables van Germaine Acogny, de ‘moeder van de Afrikaanse moderne dans’. Daar werd hij opgemerkt door gastchoreograaf Olivier Dubois, die hem uitnodigde voor de Europese tournee van Souls. Nadien volgden engagementen bij gerenommeerde Europese choreografen als Maguy Marin en Boris Charmatz. Piki Piki is zijn tweede choreografie.