Acht overlevenden van een vliegtuigramp stranden op een minuscuul eilandje – en dan? Tot elkaar de hersens inslaan komt het niet. Liever zoekt de Franse theatermaker Philippe Quesne de lichtheid van het bestaan.

Crash Park – La vie d’une île

Vrijdag 7 juni en zaterdag 8 juni om 20.00 uur - Internationaal Theater Amsterdam, Rabozaal

Terwijl het publiek zicht nestelt in hun stoelen start op schermen boven het toneel een video waarin we de acht in het vliegtuig zien zitten. Het gepruts met kinderbestek, allemaal een drankje, allemaal ook ingesnoerd in de stoel – de beklemming van zo’n vliegreis slaat over op de zaal en ook wij voelen ons schouder aan schouder zittend even sardientje. En dan: noodweer. De schermen gaan uit en in de zaal ontrolt zich met veel drama, rook en harde knallen een mini-Spielbergfilm. En dan komt de crash. Als de rook optrekt, zien we een verlaten eilandje omringd door water, dat af en toe langzaam ronddraait. Uit het wrak kruipen verfomfaaid de overlevenden, om hen heen ontplofte rolkoffers. Daar ligt het moderne leven, aan gruzelementen. En nu?  

Het onbewoond eiland is van oudsher voer voor de verbeelding. Van Odysseus tot Robinson Crusoë en het eigentijdse Hollywood – het idee van de mens die zijn weg moet vinden in terra incognita is van alle tijden. Voor de Franse theatermaker Philippe Quesne (spreek uit Kenne) is het eiland vooral een biotoop, een plek waar hij kan experimenteren, en waarin hij zijn personages plaatst als insecten in een terrarium. Die beeldspraak is niet toevallig gekozen. ‘Ik had als kind ook zo’n bak met planten, rotsjes en insecten. Ik hield wandelende takken. Eindeloos gefascineerd was ik door die wezentjes en hun perfecte functioneren,’ vertelt Quesne in Brussel daags na de voorstelling. 

vriendengroep

Philippe Quesne

Philippe Quesne

Nu schept hij zelf miniatuurwereldjes op het toneel, met zijn theatergroep Vivarium Studio, opgericht in 2003. De stukken ontstaan op basis van improvisatie met een vaste kern spelers. ‘Het is een familie, een vriendengroep. Ze zijn heel divers. We hebben een Japanse die is getraind als danseres. Een van hen is een voormalige rechter van in de zestig. En we hebben Thérèse. Zij was jarenlang de vaste schoonmaakster van ons theater. Vaak stond ze op haar bezem leunend naar onze repetities te kijken. Waarom doe je niet een keer mee, vroeg ik haar. Ze bleek geweldig. Waarom niet, als iemand de animo heeft? Nu reist ze de wereld over met ons, haar leven is totaal veranderd. Ze is apetrots. In het hotel hoorde ik haar op de gang vertellen tegen het kamermeisje: denk erom, zei ze, altijd blijven dromen, niks is onmogelijk, kijk naar mij!’

Dat Quesne is opgeleid als beeldend kunstenaar, hij studeerde scenografie en werkte tien jaar als decorbouwer voor theater en opera, wekt geen verbazing. Het decor is het centre piece in al zijn werk. ‘Het eiland is de eigenlijke hoofdpersoon én de held van Crash Park. De natuur is belangrijk. Zelfs als die helemaal bestaat uit karton en papier. Zoals ook Fellini en Tati, die ik zeer bewonder, het reële mengen met de fantasie. Er zit veel Tati in mij. Ik gebruik dezelfde losse vorm en ook bij mij gaat het niet over goed en slecht. Er zijn geen goede en slechte mensen, iedereen zit op datzelfde eiland, dat ronddraait. De mens is niet in staat af te remmen.’

‘Er zit veel Tati in mij. Ik gebruik dezelfde losse vorm en ook bij mij gaat het niet over goed en slecht.'

Philippe Quesne

milde wijsheid

Tot een doemscenario leidt dat in Crash Park niet. Quesne kijkt naar zijn terrarium zoals god vanaf zijn wolk en beziet het woelen der wereld met milde wijsheid. ‘Hoezeer ik me ook bewust ben van de staat van onze planeet, we moeten ook relativeren. In angst leven is niet de oplossing. Toen ik klein was, kreeg ik het al uitgelegd: attention, het klimaat. Maar dat is nu twintig jaar geleden. We zouden kinderen niet alleen moeten bijbrengen dat er altijd rampen en problemen zullen zijn, maar ook dat er altijd poezië zal zijn.’ 

Die is ongeremd en grenzeloos. Tijd is vloeibaar in deze anachronistische vrijplaats. Zoals een kameleon van kleur verschiet, zo transformeert het eiland: strandtent, bacchanaal, Love Boat, de pruikentijd en het Slavenkoor, het komt allemaal voorbij in vaak hilarische scènes, geraffineerd uitgevoerd. In een tijd waarin engagement, soms al te nadrukkelijk, terug is van weggeweest in het theater slaat Quesne af, en zoekt de lichtheid. Hij schept lucht, voor een wereld met ademnood. ‘Ik maak graag gebruik van de mogelijkheid die de kunst biedt om te ontsnappen aan de realiteit. Op mijn eiland staat de mens steeds voor nieuwe problemen, maar ze vinden toch steeds een oplossing.’ Daarbij moet vooral ook gelachen worden. ‘Dat is de invloed van Beckett, die ik adoreer. Zijn verhouding met het einde van de wereld en de nonsens van het leven geeft een gevoel van hoop en ook een beetje afstand. De mensen die nu het meest serieus moeten zijn, zijn degenen die de grote naties leiden, de grote instituties. Maar nu zijn de grootste clowns zo’n beetje de piloten van ons leven. Ik weet niet meer wie serieuzer is, de clown of de politicus of econoom.

Crash Park – La vie d’une île

Vrijdag 7 juni, zaterdag 8 juni, 20.00 uur - Internationaal Theater Amsterdam, Rabozaal