Pijbes

, A.L. Snijders

Als Wim Pijbes voor het schilderij staat, prevel ik snel: ‘Pieter Brueghel, De toren van Babel.’ Ik ben tevreden als Wim Pijbes dat bevestigt.

Maar als hij voor een schilderij staat met zes Amsterdamse huizen in ‘een landschap dat niet kan’, blijf ik doodstil, ik heb het nog nooit gezien.

De naam van de schilder ken ik wel, Hercules Segers – ik weet ook dat er slechts vijftien schilderijen van hem bekend zijn, maar dat hij in dronkenschap gestorven is bij een val van de trap hoor ik voor het eerst.

Daarom pleit ik ervoor dat het programma van Pijbes elke week wordt uitgezonden, twee-en-vijftig keer per jaar. Wat hij laat zien interesseert me meer dan het songfestival of de nooit eindigende lawine van voetbalnieuws, waar ik trouwens ook vaak naar kijk.

De uitzending van gisteren ging over het fantasielandschap en over de ongebreidelde mogelijkheden van kunstschilders om alles te schilderen wat ze willen, bestaand of niet bestaand.

Pijbes zelf kan natuurlijk ook doen wat hij wil, na Brueghel gaat hij op bezoek bij Robbie Cornelissen, een kunstenaar die ook een Toren van Babel heeft gemaakt, met potlood en papier. Hij maakt tekeningen die je volgens Pijbes wel en niet begrijpt, tegelijkertijd. Cornelissen was aanvankelijk bioloog, maar stapte over naar de kunst. Hij begon met tekeningen uit zijn binnenwereld, en nadat hij deze had ontdekt, keerde hij zich naar de buitenwereld. Pijbes zegt dat de tekeningen hem steeds op het verkeerde been zetten, Cornelissen vindt dat fijn.

‘Vind je dat fijn?’, vraagt Pijbes. Cornelissen beaamt het, ja, dat vindt hij fijn. Hij legt uit dat hij de natuur niet kan uitbeelden, te groot, te mooi. Daarom is hij uitgeweken naar het imaginaire landschap, potlood en papier.

Tot slot hoor ik dat dit de laatste uitzending is. Jammer, ik houd zo van dit type zin: ‘Met 25 streken zet hij een landschap neer, het is pure abstractie, dat is Benner, hatsekiedee, kleur, groen, horizon, lucht, klaar.’