Deur

, A.L. Snijders

In de drukte van de Spuistraat liep de vriend van vroeger die ik niet herkende. Hij herkende mij ook niet, er was dus niets aan de hand.

We liepen elkaar op het trottoir tegemoet, niemand wist dat wij elkaar zestig jaar geleden dagelijks zagen. Vriendschap. We hadden geen werk, we stonden wel ingeschreven aan de universiteit, maar we kwamen er nooit. Hij had een zware Royal Enfield en een vriendin, ik reed op een gammele damesfiets en zag mijn ouders zelden, zij woonden in Antwerpen. Wat gebeurde er nu in de Spuistraat? 

Bij het passeren raakten we elkaar met een lichte schouderbeweging, ik mompelde sorry, hij zei niets. We liepen door, maar waren aangeraakt. Wat er in mijn hoofd gebeurde, weet ik natuurlijk niet. Een ouderwetse stad verandert niet in zestig jaar, daar blijven de straten liggen zoals de muziek van Beethoven en Schubert. Maar in ons hoofd is geen plaats voor zestig jaar, ik weet niet hoe zwaar de Royal Enfield was (hoeveel cc), ik weet zelfs niet of hij rood of zwart was. Met mijn vriend van vroeger was het niet anders, hij was langzamer gaan lopen en had omgekeken. We zagen elkaar en dachten na, we probeerden verschillende herinneringen. 

We vloekten in stilte (kom op, godverdomme, dit is ons leven.) Omdat het om twee mensen ging lukte het, twee weten meer dan één. We liepen terug en bleven een kwartier praten, zestig jaar in een kwartier. Hij had vijfentwintig jaar bij de televisie gewerkt, alles gedaan wat je maar bedenken kan. Op zijn vijftigste de liefde van zijn leven ontmoet, die bovendien heel rijk was. Mooi, lief en rijk, hij keek als een koning. Hij leefde een volstrekt nutteloos leven. Hij had zijn rijbewijs laten verlopen, hij las geen kranten, hij had geen radio en televisie, hij reisde niet, hij kwam nooit in Artis of het Concertgebouw, hij had geen kinderen, hij woonde ook niet in het huis van zijn vrouw (maar hij zag haar regelmatig). Hij rookte niet, gebruikte geen drugs, en dronk alleen water. 

Zijn gezonde passiviteit verbaasde me niet. Ik vroeg me af of hij ook met Bukowski gebroken had. Die las hij nog steeds, de gedichten van Bukowski. Hij kende ze uit zijn hoofd, dat was zijn contact met de wereld, de laatste deur.