Medicijnen

, Arnon Grunberg

Een korte verhandeling over medicijnen.

1. Medicijnen bestrijden symptomen. Zo af en toe wordt de oorzaak van die symptomen bestreden, maar dat komt zelden voor. Overigens zijn er ook medicijnen die noch de oorzaken noch de symptomen bestrijden.
Voor veel medicijnen heb je een recept nodig, maar dat verschilt per land. In Amerika kun je, schijnt het, gewoon medicijnen kopen waar je in Nederland een recept voor nodig hebt.


2. Het placebo-effect betekent, kort gezegd, dat de illusie dat je een medicijn slikt voor positieve resultaten zorgt. Het zijn niet de werkzame stoffen, maar de verbeelding die voor verlichting zorgt, waaruit je zou kunnen concluderen dat verbeelding een werkzame stof is. Maar hoeveel heb je ervan nodig?


3. Sommige mensen zijn tegen medicijnen. Deze mening wordt in zogenaamd verlichte kringen voor een respectabele mening houden. Denk ook aan de uitspraak: ‘Het grootkapitaal dringt ons allerlei medicijnen op die we niet nodig hebben.’ Ten dele is dat waar, de farmaceutische industrie werkt voor de aandeelhouder, net als Albert Heijn. Desondanks doen ze af en toe wat nuttigs.


4. De gedachte dat kinderen niet moet worden ingeënt is in verlichte kringen een verdachte ja zelfs immorele mening. Betekent dat dat de inenting geen medicijn is of dat je niet mag beslissen voor anderen, te weten de kinderen? Of zijn sommige medicijnen boven alle twijfel verheven, zeg de griepprik, en andere medicijnen niet, zeg het antidepressivum?


5. Bestaat er een wezenlijk verschil tussen het slikken van partydrugs en het gebruik van antidepressiva?


6. Het lijkt alsof medicijnen die genomen worden om psychische klachten te verlichten verdachter zijn dan pilletjes die worden voorgeschreven bij hartklachten. Komt dit omdat degene die aan psychische klachten lijdt stiekem toch als een aansteller wordt gezien? Of omdat de werking van pakweg antidepressiva moeilijker vast te stellen is dan die van pakweg plastabletten?


7. Zou de minister-president bekend moeten maken welke medicijnen hij slikt? En de ministers? En de Kamerleden? Ook niet als blijkt dat er een verband bestaat tussen het beleid en de medicijnen? Stel dat over tien jaar de fractievoorzitter van een grote partij verklaart: ‘Mijn meningen waren bijwerkingen van verkeerd voorgeschreven medicijnen.’