Een korte verhandeling over ouderdom.

1.
Er is geen vast tijdstip waarop de ouderdom begint. Sommige mensen zijn oud op hun twaalfde. Dat lijkt een moreel en esthetisch oordeel, de jeugd wordt immers in veel culturen, ook de onze, verafgood.

2.
Men beweert dat ouderdom gepaard gaat met ongemak. Een kennis zei tegen me: ‘Ik vind ouder worden moeilijk, ik heb minder aandacht van vrouwen.’
Lichamelijk ongemak kan een rol spelen. Men komt niet meer zelf het vliegtuig uit, maar moet wachten tot men gehaald wordt met een rolstoel. In het ongunstigste geval gaat ouderdom gepaard met afhankelijkheid en hulpbehoevendheid.

3.
De gedachte dat wijsheid en ouderdom goed met elkaar samengaan, en dat de oudere naast een jongere knaap gaat liggen (Plato) om aan kennisoverdracht in de ruimere zin van het woord te doen is niet meer populair. Er zijn nog altijd oudere heren die naast jongere knapen gaan liggen, maar van kennisoverdracht wordt zelden meer gerept.

4.
Naast al het andere is ouderdom de laatste fase voor de dood. Denken over de eigen dood is vrijwel altijd een abstractie. Veel mensen leven dan ook alsof de eigen dood er niet is en de eigen ouderdom evenmin. In praktijk is dit een vorm van zelfoverschatting, soms met ongewenste neveneffecten: men valt dood neer terwijl men de marathon aan het rennen is. 

5.
De Oostenrijkse filmmaker Ulrich Seidl heeft in veel van zijn films belangrijke dingen over ouderdom te zeggen.

6.
Zonder in sociaal darwinisme (het geloof dat de uitslag van de competitie en rechtvaardigheid hetzelfde zijn) te vervallen, moet je constateren dat overal op min of meer beschaafde wijze competitie bestaat. Ouderdom biedt in deze competitie zowel nadelen (de al genoemde hulpbehoevendheid) als kleine voordelen (een zekere eerbiedwaardigheid).

7.
Een taoïst zei eens tegen me dat het erom gaat een oud vrouwtje te worden.

Meer van Arnon Grunberg