Een korte verhandeling over kleding.

1. 
In de meest rudimentaire vorm zijn kleren een poging het lichaam te beschermen tegen kou, vocht, hitte en de blikken van anderen. In minder rudimentaire vorm zijn kleren het uithangbord van onze identiteit.

2.
Groepsidentiteit en normen gaan hand in hand. Weet men hoe men zich moet kleden? Mag de huisarts ons op een warme zomerdag in korte broek ontvangen of doet dat afbreuk aan zijn autoriteit waardoor wij minder snel genezen? 

Sommige bedrijven hanteerden het begrip ‘casual friday’, waarmee bedoeld werd dat je iets minder formeel gekleed naar je werk mag komen. In veel bedrijven is het tegenwoordig qua kleding altijd ‘casual friday’.

3.
Schooluniformen worden verdedigd als een poging inkomensongelijkheid te verdoezelen, maar de leerlingen zijn natuurlijk niet gek.

Inderdaad is het op een naaktstrand moeilijker na te gaan wie tot welke sociale klasse behoort. Het gebit verraadt veel. Bij twijfel vragen: ‘Kunt u uw mond even opendoen? Ik ben een tandarts in opleiding.’ Tanden zijn eigenlijk ook een soort van kleren.

4. 
Ook onze onderbroeken en sokken zijn kleren. Kijk eens naar uw sokken en kousen en stel uzelf de vraag: wie ben ik? 

5.
Wie op een date gaat moet voorbereid zijn alles uit te trekken. Waarlijke aantrekkingskracht loopt geen schipbreuk op een sok met gaten. Soms moet je echter genoegen nemen met minder waarlijke aantrekkingskracht, laat dus die sok met gaten op een eerste date thuis. 

Nogal wat liefde begint met kleren die worden achtergelaten in andermans woning. 

6.
Velen hopen zichzelf mooier en jonger te maken door middel van hun  
kleding. Onthoud: juist de zogenaamd verlichte medemensen spreken  
met graagte hun afschuw uit over uw en andermans decolleté.

7.
Door middel van kleding bestrijden wij tevens onze eigen onzekerheid. Wij vallen uit elkaar, maar broek en trui houden ons bijeen.