Kelder

, Esther Gerritsen

In haar nieuwe column vertelt Esther Gerritsen over haar verontrustende ervaring met mensen die in complottheorieën geloven.

Ik vertelde mijn lief, die ik nog niet zo heel lang ken, over de keer, alweer jaren terug, dat ik met twee kennissen at en dat 11 september ter sprake kwam.

Ik weet nog dat ik tegen hen sprak met het gevoel onder gelijkgestemden te zijn. Nietsvermoedend zei ik dan ook dat ik iemand kende die echt geloofde dat de Amerikanen die vliegtuigen zelf de Twin Towers in hadden laten vliegen, en hoe moeilijk het is te communiceren met mensen die in complottheorieën geloven.

Ik wachtte op bijval, toen een van mijn tafelgenoten zei: 'O, dat is ook zo, dat hebben ze allemaal zelf gedaan.'

Ik dacht nog even dat ze een grap maakte, maar terwijl ik lachte zei die ander: 'O ja, dat weet je toch wel?' Ze vroegen me of ik dus werkelijk geloofde wat ze ons allemaal probeerden wijs te maken en ze keken me aan alsof ze voor het eerst zo’n naïeveling als ik tegenkwamen. Ze waren bloedserieus en toen er een met het argument kwam dat het echt zo was – 'want mijn vriend zag er een documentaire over en hij zegt dat het ook zo is' – wist ik dat ik wel kon inpakken.

Het was een verontrustende ervaring, ineens was ik in de ogen van de meerderheid de gek. Ik hoorde mezelf argumenteren, zag hun ongelovige blikken, en moest hulpeloos toezien hoe ze me steeds vreemder gingen vinden. Ik stelde me voor dat we met z’n drieën op een onbewoond eiland strandden en hoe lang mijn afwijkende overtuiging dan stand zou houden. Hetzelfde vinden is misschien idioot, het heft de eenzaamheid wel op.

Terwijl ik hierover vertelde aan mijn lief, en hem zag glimlachen, was er een kort moment van schrik en ik zei: 'Je zegt me niet dat je ook gelooft dat de Amerikanen het zelf hebben gedaan.' Ik ken hem zo kort dat ik nog elke week verwacht achter een onmogelijke eigenschap te komen.

Vaak zeg ik tegen hem iets als: 'En dan blijkt je kelder vol met lijken te liggen, hahaha.' Want hij is wel opvallend vaak bezig met het opruimen van zijn kelder. Zogenaamd iets met een mottenplaag. Terwijl ik lach om mijn eigen grap bestudeer ik zijn gezicht of ik schrik zie, omdat ik het goed raad. Ik zie geen schrik.

Maar vanzelf hoor ik mijn stem in een imaginaire toekomst zeggen: 'Niets had ik door. Ja, natuurlijk, ik maakte wel eens grappen over die kelder, maar je gaat er toch niet vanuit dat het echt is.'