Als ik verkouden en met koppijn mijn huis uitstap staat daar een dakloze man te foeteren tegen iemand die hem geen geld heeft.

Ik ken die dakloze man, hij loopt wel vaker foeterend door de buurt. Ik heb hem eens vijf euro gegeven. Hij herkent mij niet. 

Hij vraagt: ‘Bent u wel in een goeie bui?’ 

Ik zeg: ‘Vandaag niet.’ 

‘Waarom niet?’ 

Ik haal mijn fiets van het slot en zeg: ‘Omdat ik ziek ben.’ 

Hij zegt: ‘Ja, dat kan ik ook wel zeggen, vandaag niet, omdat ik dakloos ben.’ 

Ik fiets weg en hoor de man nog roepen hoelang hij al bezig is om twee euro bij elkaar te scharrelen en dat alle mensen egoïsten zijn. 

Die keer dat ik hem vijf euro gaf noemde hij me een goed mens. Toch voel ik me nooit een goed mens als ik iemand vijf euro geef (meestal omdat ik niet kleiner bij me heb). Ik voel me dan een sukkel; omdat ik zo vaak word aangesproken, omdat ik geen nee kan zeggen, omdat ik medelijden heb. Maar als ik niets geef voel ik me een slecht mens. Dat is duidelijk een lose-lose-situatie. 

’s Avonds laat ik de hond uit die altijd overal wil snuffelen en soms meer de baas over mij is dan ik over haar. De hond moet ineens per se midden op de stoep aan een vage vlek ruiken. Ik laat haar even en zie dan pas dat ik de weg versper voor een oudere man met een stok die ons tegemoet is gekomen. Ik glimlach verontschuldigend. 

Dan zegt de man: ‘You are a good person.’ Waar gaat dit heen? Hij verklaart: ‘You let your dog read the news.’ 

Dat valt dan weer mee. 

Ik kom niet ver van huis, op zo’n dag, maar je hebt maar een paar honderd meter en enkele voorbijgangers nodig en je wordt gezien en beoordeeld.