Stilte

, Esther Gerritsen

Achter in de auto, met mijn hoofd tegen het raam sluit ik mijn ogen en doe alsof ik slaap.

Door mijn oogleden heen merk ik of de zon schijnt of niet, en de zon en wolken wisselen elkaar prachtig af tijdens deze autorit. Ik kijk ernaar met gesloten ogen. Een abstracte film over licht en donker, en net als ik denk dat ik het verhaal wel ken, begint de regen zachtjes naast me tegen het raam te tikken. Ik glimlach. 

Misschien denkt de chauffeur dat ik droom, maar ik zit in een goeie film en ik ben wakkerder dan ooit. Zelfs met je ogen dicht kun je nog kiezen om naar binnen of naar buiten te kijken. Je kunt je oogleden als dimmer gebruiken. Het licht hoeft niet helemaal uit.

Voor ons communieboek op school moesten we vroeger gedichten schrijven met thema’s, als geluk, licht en hoop. Ik schreef iets over met natte ogen naar een vlam kijken. Ik had ergens om moeten huilen en met natte ogen had ik daarna een tijd in een kaars gestaard. Viel me toen zo op wat een mooie lens een natte lens is, en een vlam is natuurlijk geweldig bewegend licht. Dat was toch zeker een halfuur vermaak: Met natte ogen in een kaars staren. 

De dag na de autorit zit ik in de trein in de stiltecoupé. Het regent. Het is lang geleden dat ik de regendruppels op de ruiten van een trein heb gevolgd. Ik verwacht nieuwe contemplatieve momenten. Maar of ik wil of niet, het gesprek van de mensen verderop in de stiltecoupé trekt meer aandacht dan de druppels op de ramen.
Een jongen vertelt dat hij altijd veel te veel rekening houdt met andere mensen: ‘Ik ben zo’n pleaser.’