steun vpro

Wit is ook een kleur

Van der Leeuw-lezing

, Sunny Bergman

'Wanneer men racisme probeert te agenderen worden veel witte mensen boos of defensief.' Sunny Bergman hield in de Martinikerk in Groningen de 34ste Van der Leeuw-lezing. Hierin ging ze dieper in op de achtergrond van de 'witte boosheid en de gekleurde westerse witte blik'.

Sunny Bergman

Als ik aan u vraag: ‘Hoe voelt het om wit te zijn?’ Wat denkt u dan? Vindt u het een rare vraag? Misschien denkt u wel: wit? Ik ben blank!

De laatste tijd stel ik deze vraag regelmatig aan mensen. Een man antwoordde treffend: ‘Mijn huidskleur is zo gewoon als het water dat uit de kraan komt.’ Ook ik heb er tot voor kort nooit over nagedacht dat ik tot een etnische groep behoor. Etnische minderheden; dat zijn de anderen. Ik dacht: mijn smaak, mijn politieke voorkeur, mijn persoonlijke geschiedenis, mijn gender, mijn ouders – dit soort factoren tezamen vormen mijn identiteit. Mijn huidskleur kwam in dat rijtje niet voor. Mijn stiefvader zei: ‘Ik ben gewoon blank. En alles wat gewoon is verdwijnt naar de rand van je bewustzijn.’

Niet neutraal

Maar niks is natuurlijk neutraal of gewoon. Vanuit een ander perspectief bekeken kan een gedeelde normaliteit absurd zijn. Een vriendin van me groeide op in een niet-westerse omgeving – waar haar familie in de huiselijke sfeer op de grond zat. Op de Nederlandse kleuterschool kon ze maar moeilijk wennen aan het concept ‘stoel’. Waarom lagen er nergens tapijten? Zo was de grond toch koud? Waarom hield iedereen die vieze schoenen aan? Gekkigheid!

Ook woorden zijn niet neutraal. De term ‘blank’ lijkt voor de meeste van ons onschuldig. Maar het woord heeft een koloniaal verleden. Het stond symbool voor ‘geen kleur’ hebben, rein en onbevlekt zijn. Het is samen met het n-woord (neger) tot stand gekomen tijdens onze koloniale geschiedenis. Het n-woord werd gebruikt om mensen te dehumaniseren tot handelswaar; Afrikanen die tot slaaf waren gemaakt werden zo genoemd. Er is niks neutraals aan blank versus het n-woord. Daarom gebruik ik de termen zwart en wit.

Verrader

Robin DiAngelo

De afgelopen jaren – sinds ik mij publiekelijk uitspreek tegen zwarte piet in het bijzonder en racisme in het algemeen – kwam ik veel boze witte mensen tegen. Ik ontving haatmails en zelfs doodsbedreigingen omdat ik me als ‘verrader’ ten opzichte van ‘mijn eigen ras’ zou opstellen.

De boosheid van witte mensen komt duidelijk naar voren bij de protesten tegen de komst van azc’s en bij betogingen van bijvoorbeeld Pegida en aanverwante groepen. Vooralsnog worden de problemen rond ‘de multiculturele samenleving’ buiten de hogeropgeleide witte groep gelegd. Immigranten zijn het probleem, want die hebben moeite met integratie! En lager opgeleide PVV-stemmers, die zijn het probleem! Want die hebben racistische denkbeelden!

Maar ook in mijn kring van linksgeoriënteerde hoogopgeleide mensen zie ik dat mensen regelmatig boos worden of van alles ontkennen wanneer racisme en uitsluitingsmechanismes worden aangekaart. Ze voelen zich aangevallen: ‘Ik ben toch zeker geen racist?!’

Daarom wil ik de blik op mijzelf en mijn witte groep richten: hoe problematisch is wit zijn? En vanwaar de boosheid en verontwaardiging van witte mensen als het gaat over racisme? Hoe verandert de analyse ‘Racisme is structureel en daarom biedt wit zijn voordelen in deze maatschappij’ in iets wat als een persoonlijke beschuldiging opgevat kan worden?

De Amerikaanse antiracismetrainer Robin Diangelo heeft dit ongemak en deze boosheid onderzocht en noemt het white fragility. Witte mensen zijn fragiel omdat ze niet gewend zijn zichzelf te zien als onderdeel van een raciale categorie.

Individualisme is er met de paplepel ingegoten, daarom voelt de groepsidentiteit ‘wit persoon’ als onnatuurlijk. Maar in vergelijking met andere etnische groepen genieten witte mensen als groep wel degelijk systematische voordelen. Discriminatie jegens niet-witte Nederlanders is structureel: zowel op de arbeidsmarkt, in het onderwijs als bij de politie. Dit blijkt uit rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau en Amnesty International. Je hebt dus als wit persoon een voordeel waar je je misschien niet bewust van bent. Je weet natuurlijk niet hoe vaak je leerkracht donkere medeleerlingen minder aandacht gaf, of hoeveel zwarte medesollicitanten zijn afgewezen voordat jij je baan kreeg.

Bovendien worden witte mensen gesocialiseerd met een idee van witte superioriteit. Hiermee doel ik op het wijdverbreide systeem waarin witheid centraal staat en  - soms impliciet dan weer expliciet – superieur wordt geacht. Witte superioriteit is de machtshiërarchie waarin we leven, waarin wit privileges heeft, centraal staat, mooier, beter, neutraler en onschuldiger is.

Ingebakken?

Black doll/white doll-experiment

Om uit te zoeken in hoeverre witte superioriteit er van jongs af aan ingebakken zit, filmde ik kinderen rond de vijf jaar tijdens het doen van een experiment waarin ik ze vragen stelde over een witte en een zwarte babypop, of over getekende cartoonfiguren. Dit experiment, ook wel bekend als het black doll/white doll-experiment, is voorheen in andere landen uitgevoerd, maar nog nooit in Nederland (Update: dit bleek niet te kloppen; in 2015 is dit wel gedaan). Mijn experiment heeft geenszins de pretentie wetenschappelijk te zijn, er was geen controlegroep en de omvang was te klein.

Maar de uitkomsten zijn wel indicatief en geven stof tot nadenken. We nodigden dertig kinderen uit, tweeëntwintig witte kinderen en acht donkere. Ik vroeg de kinderen welke pop of cartoonfiguur het slimst was. Rond de 75 procent van de kinderen (die een antwoord gaven) wezen naar de witte pop. ‘Omdat ze wit is’, werd er gezegd. Of ‘omdat deze pop een normale kleur heeft.’ Toen ik vroeg welke pop stout was, of straf zou krijgen, wees bijna 80 procent van de kinderen naar de zwarte pop. ‘Die kijkt een beetje bozig!’ zei een kind. Of: ‘Deze baby is stout want hij trekt aan haren.’ En toen ik vroeg welke pop de meeste mensen mooi zouden vinden wees bijna 85 procent naar de witte pop. Er was geen significant verschil in percentages tussen de witte en de donkere kinderen onderling.

De ouders keken naar het experiment en reageerden vaak gechoqueerd. Het overgrote deel – negentig procent van hen – gaven aan linksgeoriënteerd te zijn. Allemaal gaven ze aan dat ze zich niet bewust of expliciet racistisch zouden uiten. Veel van ouders vroegen zich vertwijfeld af waar hun kinderen deze waardeoordelen vandaan hadden gehaald.

Framen

Philomena Essed, hoogleraar Critical Race, Gender and Leadership Studies aan Antioch University (Foto: 1984)

Ik leg die vraag  voor aan Philomena Essed, hoogleraar in Critical Race, Gender and Leadership Studies. Essed: ‘Dit is een weerspiegeling van wat de kinderen overal om zich heen zien. Op televisie zijn de hoofdrollen in kinderfilms wit. In het onderwijs gaat het zelfde principe op; de voorbeelden van slimheid zijn wit. Dus het is heel logisch dat kinderen deze keuzes maken. Het geeft weer waar ze aan worden blootgesteld in de samenleving. Ik vind het zo treurig als een kind onmiddellijk wijst naar de zwarte pop als jij vraagt “Wie is stout?”.

Uit onderzoek in de VS blijkt dat dit daar schering en inslag is. Zwarte kinderen worden sneller gestraft. Er is minder tolerantie voor een kleine overtreding. Bovendien wordt bij een zwart kind de overtreding toegeschreven aan de cultuur of zelfs verbonden aan toekomstige criminaliteit. Bij een wit kind is het van: “Oh die heeft zijn dag niet” of: “Ach ja, dat is altijd een dwars jochie”.’

De jonge kinderen die meededen aan ons experiment houden ons een spiegel voor. Doordat ze associatief reageerden, zien we hoe de maatschappij een hiërarchie in kleur aanbrengt. Jonge kinderen hebben namelijk nog niet geleerd om sociaal wenselijke antwoorden te geven.

Op bewust niveau leren we kinderen in progressieve kringen dat racisme fout is, en dat we niet mogen oordelen op basis van huidskleur. Kleur mag er niet toe doen. Maar kleur doet er wel toe. Doordat onze wereldgeschiedenis altijd is beschreven vanuit een Westers, wit, eurocentrisch perspectief, nemen we aan dat dit een neutrale, objectieve blik is. Terwijl deze witte blik natuurlijk ook gekleurd is.
Wit is neutraal, objectief en het startpunt.

Dit is een van de meest fnuikende en bepalende aspecten van witheid. Een voorbeeld: onlangs was ik in gesprek met collega’s en noemde ik de naam van Sinan Çankaya- antropoloog bij de Vrije Universiteit.

‘O ja, hij schrijft ook voor De Correspondent,’ zei een journaliste. ‘Van die boze columns.’

‘Boos? Hoezo boos?’ vroeg ik. ‘Hij is maatschappijkritisch. Hem boos noemen is hem framen.’

‘Nou ja,’ reageerde ze geïrriteerd. ‘Ik weiger me door jou te laten framen als framer!’

Deze discussie is een voorbeeld van hoe er omgegaan wordt met kritiek vanuit een ander, niet-wit perspectief. De Correspondent-columnisten Rob Wijnberg en Rutger Bregman, die ook maatschappijkritisch zijn, zullen niet als boos maar als scherp of intelligent worden gezien. Maar omdat witheid de norm is wordt kritiek op de dominante witte cultuur vanuit mensen van kleur gezien als oneigenlijk of bedreigend. Van ‘ondankbaar’ – dan rot je toch op naar je eigen land – tot ‘subjectief’ – jij kan daar niet over oordelen, want je bent te betrokken of ‘boos’ – waarom moet jij altijd zo emotioneel en negatief zijn?

Onschuld

Jan-Peter Balkenende en zijn 'die VOC-mentaliteit...toch?'

Door te denken dat je zelf neutraal bent, terwijl andere groepen dat niet kunnen zijn, plaats je jezelf als groep boven de andere groepen.

Wit zijn is niet blanco. Witte mensen zijn zelf onderdeel van de ongelijkwaardige machtsverhoudingen. We hebben op allerlei subtiele en minder subtiele manieren aangeleerd gekregen dat wit superieur is. Een ‘zwarte’ school of een allochtonenwijk is in ons maatschappelijk bewustzijn synoniem aan ‘slechte school’ of ‘ruige wijk’. Een derdegeneratie Marokkaanse Nederlander wordt in alledaagse situaties nog steeds een ‘allochtoon’ genoemd, terwijl een net in Nederland aangekomen witte immigrant een ‘expat’ wordt genoemd, iets wat een veel sjiekere klank heeft.

Het gegeven dat onze huidige welvaart in het westen ten dele gebaseerd is op onderdrukking – zowel nu als in het verleden – van andere volken, is geen onderdeel van ons nationaal cultureel archief. Laat staan dat we de negatieve gevolgen van het koloniale verleden benoemen en in verband brengen met de hedendaagse wereldwijde structurele ongelijkheid.

Kolonialisme, slavernij en, imperialisme zijn hand in hand gegaan met kennisproductie. Zo werden bijvoorbeeld de trans-Atlantische slavenhandel en slavernij gerechtvaardigd door wetenschappelijk onderzoek naar de ‘niet-menselijke’ status van donkere mensen.

Vandaag de dag worden op scholen, universiteiten en in de media nog steeds witte, eurocentrische (en racistische) perspectieven genormaliseerd. Neem alleen al de naam van de zeventiende eeuw, het hoogtepunt van de Nederlandse trans-Atlantische slavenhandel: de Gouden Eeuw. Op de website van de Nationale Bibliotheek las ik: ‘Het zware werk en de slechte hygiëne eisten hun tol, zodat veel slaven een slechte gezondheid hadden en overleden. Daardoor bleef het nodig nieuwe slaven aan te voeren. Naarmate er meer slaven in de kolonie kwamen, werd het lastiger hen onder de duim te houden en te bewaken.’

Door bewoording als ‘nodig’ en ‘lastiger’ wordt in deze tekst volmondig het perspectief van de witte slaveneigenaar gekozen en de onderdrukte Afrikanen gedehumaniseerd. Er had ook kunnen staan: ‘De tot slaaf gemaakte Afrikanen werden met geweld gedwongen tot onmenselijke arbeid. Waardoor velen van hen zichzelf dood moesten werken. De Nederlandse slavendrijvers bleven nieuwe slachtoffers aanvoeren om het koloniale systeem in stand te houden. Naarmate er meer Afrikanen werden ontvoerd en naar de kolonie werden gebracht, groeide het verzet tegen de onderdrukking.’

Volgens professor in de antropologie Gloria Wekker is het absurd om ervan uit te gaan dat vierhonderd jaar kolonialisme geen duidelijke sporen heeft achtergelaten in de cultuur van de ‘colonizer’. In haar boek White Innocence stelt ze dat het zelfbeeld van wit Nederland gestoeld is op een idee van onschuld. Nederland is een klein, onschuldig land dat slachtoffer is geweest van de Duitsers. Daarentegen is Nederland als deelnemers aan trans-Atlantische slavenhandel, kolonisator en onderdrukker van andere volken veel minder van invloed op het zelfbeeld van wit Nederland.

Dus ondanks alle beschikbare informatie identificeert wit Nederland zich met een slachtoffer of een neutrale, onschuldige kracht. Het niet onder ogen zien van het verleden, en hoe het ons heden en onze cultuur heeft gevormd, zorgt voor blinde vlekken. Zo wordt de viering van de afschaffing van de slavernij op 1 juli, Keti Koti, nog steeds niet gezien als onderdeel van de Nederlandse geschiedenis. Deze blinde vlekken zijn voor witte Nederlanders misschien niet zichtbaar, maar voor mensen van kleur wel degelijk voelbaar.

Culturele superioriteit

Onder een groot deel van de intellectuele elite heerst het idee dat de westerse cultuur superieur is en dat de rest van de wereld zich moet voegen naar westerse ‘beschavingsnormen’. Binnen de Nederlandse politieke arena buitelen politici over elkaar heen om de superieure westerse normen en waarden te benadrukken. Homorechten en vrouwenemancipatie worden gretig als bewijs van het superieure westen ingezet door partijen die doorgaans niet echt betrokken zijn bij het actief bestrijden van homofobie of seksisme in eigen land. Onlangs gaf Edith Schippers een lezing waarin ze zegt bezorgd te zijn om onze vrijheid onder druk staat. Ze zegt: ‘Onze cultuur is een stuk beter dan alle andere. Wij staan voor de vrijheid, en wie dat niet kan accepteren, hoort hier niet thuis.’

Deze culturele superioriteit wordt voortdurend bevestigd, door terrorisme als een aanval op ‘onze vrijheid en waarden en normen’ neer te zetten, door het beschaving versus barbarij-denken en door het onderverdelen van de wereld in eerste- tweede- en derdewereldlanden. Veel mensen vinden het volstrekt normaal om te zeggen dat het Afrika ‘primitief’ of ‘onderontwikkeld’ is.

Culturele suprematie wordt doorgaans niet als racisme gezien. We hebben het immers niet over ras, maar over cultuur. Maar kunnen we dit onderscheid wel maken? Philomena Essed ligt toe: ‘Het woord ras werd uitgevonden in de negentiende eeuw. Mens was uit op een verklaring voor de vermeende Europese superioriteit in termen van geld, wapens en techniek. De verklaring van die zogenaamde culturele superioriteit werd een biologische. Immers: ras zit zogenaamd in de genen. Er werd legitimatie gezocht voor het onderdrukken van andere volkeren. Dus het witte ras werd een kenmerk van culturele superioriteit.’

(lees hieronder verder)

Witheid is de norm

Tegenwoordig mogen we niet meer zeggen dat mensen inherent genetisch minderwaardig zijn, dus gooien we het op cultuur. Maatschappelijke problemen worden verklaard door te refereren naar de culturele of etnische achtergrond van betrokkenen.

Neem bijvoorbeeld het ‘problematisch gedrag’ van vlogger Ismael en zijn vrienden in Zaandam. Als oorzaak daarvoor wordt ‘de Turkse cultuur’ aangedragen. Door deze ‘culturalistische bril’ zien we de cultuur van de niet-witte ‘ander’ als oorzaak van complexe maatschappelijke problemen.

Ook tijdens RTL Late Night zien we hiervan een voorbeeld. De Marokkaans-Nederlandse rapper en vlogger Boef heeft een vlog gemaakt waarin hij de politie uitdaagt. Hem wordt tijdens de talkshow door minister Hennis-Plasschaert daarover de les gelezen.

De minister benadrukt dat we in dit land ‘zoveel offers hebben moeten doen voor onze vrijheid. Voor uw vrijheid!’ Ze wijst beschuldigend naar Boef.

Boef werpt ertegenin: ‘Maar als de politie mij voortdurend provoceert?!’

‘De politie provoceert niet.’ stelt de minister.

‘Hoe weet u dat? Was u erbij?’ vraagt Boef.

‘Met alle respect. De politie provoceert niet maar is er voor uw veiligheid. Voor mijn veiligheid.’ De minister krijgt applaus.

Ik kijk en vraag me af: welke offers? Welke offers hebben wij gepleegd voor ‘de vrijheid’? Ik persoonlijk heb geen offers moeten doen voor mijn leven zoals het is. De minister zet Boef middels haar pathetische appel op offers en vrijheid op zijn ‘allochtonenplek’. Boef moet dankbaar zijn dat hij in het vrije Nederland mag wonen, dat is de onderliggende boodschap. Hij mag geen kritiek hebben op de politie. Want de politie is goed. Punt. Waarbij de minister alle discussie over etnisch profileren, racisme bij de politie en ongeoorloofd politiegeweld met een nuffige handbeweging van tafel veegt. De politie is enkel je ‘beste vriend’ als je wit bent. Maar het wordt door de minister als universele ervaring geponeerd. Witheid is de norm.

Veel hoogopgeleide mensen lopen rond met het idee dat ze weldenkende mensen zijn. Het idee dat ze superioriteitsgevoelens bezigen, dat ze genieten van witte privileges, dat ze mensen van kleur oneerlijk behandelen, op ze neerkijken of ze beledigen, dat past niet in hun zelfbeeld. Dit is problematisch, want met iets wat niet bestaat, kun je iemand ook niet confronteren. Dat maken niet-witte vrienden die in ‘progressieve’ witte omgevingen verkeren me duidelijk.

Een van mijn vrienden noemt het gymnasium waar hij op heeft gezeten ‘de witte hel’. Een plek vol met superioriteitsgevoelens, zowel richting laagopgeleide witte mensen als richting mensen van andere culturen. Als mijn vriend iets verkeerds deed, zeiden leerkrachten: ‘zo doen wij dat niet, hè, hier in Nederland’.

Racisme en witte superioriteit zijn dus niet alleen het probleem van Trump-stemmers of Wildersaanhangers. Ga eens na hoe u over deze groepen, die doorgaans een expliciet racisme propageren, nadenkt. Vindt u ze dom en kunt u zich niet met hen identificeren? Dan is er kans dat u ze gebruikt om uzelf superieur te voelen, wat het moeilijker maakt uw eigen witte superioriteit te onderzoeken.

De morele en culturele verhevenheid die veel witte mensen met zich meedragen is uiteindelijk een handicap. Want zoals de Afro-Amerikaanse schrijfster Toni Morrison zegt: ‘Ik wist altijd dat ik de moral highground had. Als je alleen hoog kan zijn wanneer er iemand onder je staat, heb je een serieus probleem. Ik denk dat witte mensen daarover moeten nadenken.’

Het effect van privileges

Paul Piff en het Monopoly-onderzoek

Wat is het effect van privileges op ons karakter? Sociaal psycholoog Paul Piff heeft experimenten gedaan waarin mensen Monopoly speelden. In elk spel kreeg een van de twee deelnemers een betere startpositie, bijvoorbeeld dubbel zoveel startgeld. Vervolgens werd het gedrag van de deelnemers geobserveerd. Binnen een kwartier waren bij de meeste deelnemers met deze startprivileges de gedragsveranderingen duidelijk zichtbaar: ze waren luider, verschoven hun stukken opzichtiger over het bord en pakten meer chips uit de bak die op tafel stond. Achteraf schreven een groot deel van de winnende deelnemers met een betere startpositie hun overwinning toe aan hun slimme, strategische keuzes. Ze waren het voordeel dat ze bij aanvang kregen alweer vergeten. Dit is volgens Piff de manier waarop wij omgaan met privileges: we schrijven succes toe aan ons eigen harde werk en willen niet herinnerd worden aan de voorsprong die we kregen. Dit verklaart misschien waarom het zo moeilijk is onze eigen privileges te onderkennen, terwijl we wel gemakkelijk oordelen over anderen met een minder gunstige startpositie.

Ander onderzoek toont aan dat mensen met klasse-privileges minder empathisch zijn omdat dat ze minder goed opletten en minder geoefend zijn in het lezen van anderen. Ze zijn, in vergelijking tot mensen in lagere socio-economische klassen, minder gevoelig voor de signalen van anderen. Ze zijn minder geoefend in het registeren en lezen van emoties en behoeftes in andermans lichaamstaal. De verklaring hiervoor is dat mensen wier leven ‘makkelijker’ gaat, minder afhankelijk zijn van anderen en dus minder aandacht aan ze hoeven te besteden. Privileges leiden er dus toe dat men minder getraind is in het lezen van de ander. Deze bubbel van privilege geeft mensen op die manier de illusie dat het leven voor iedereen zo kan zijn als voor henzelf. Daarom zien we iemand anders zijn pijn of onderdrukking vaak als zijn eigen schuld.

Philomena Essed benadrukt de mogelijke negatieve gevolgen van witte superioriteit (bij witte mensen) als volgt: ‘Men krijgt een opgeblazen gevoel van eigenwaarde, wat leidt tot overgevoeligheid voor kritiek en minder empathisch vermogen.’

Misschien kunnen witte mensen daardoor moeilijker omgaan met diversiteit. Volgens Maurice Crul, hoogleraar diversiteit aan de Vrije Universiteit, is het idee van integratie – dat ‘etnische minderheden’ zich aan witte Nederlanders moeten aanpassen – een achterhaald concept en niet meer van toepassing in de huidige maatschappij. Crul: “In Amsterdam is de autochtone bevolkingsgroep officieel een minderheid geworden. In de leeftijd onder de vijftien jaar is slechts een derde van de jongeren nog autochtoon. Kortom: grote steden worden superdivers.”

Crul concludeert dat inwoners met een bi-culturele achtergrond zich beter kunnen aanpassen op verschillende situaties, mensen en omgangsvormen. Witte Nederlanders daarentegen zijn het minst aangepast, het minst flexibel en het minst geïntegreerd.

Het n-woord

Vaak vindt er bij witte mensen kortsluiting plaats als er gezegd wordt dat iets racistisch is. Neem als voorbeeld het n-woord; ik heb hierover eens een discussie gefilmd. De claim van racisme werd in eerste instantie (door witte mensen) ontkend – ‘Het woord is niet racistisch, het betekent gewoon “zwart”’ – en de goede intenties werden benadrukt – ‘Ik bedoel het goed wanneer ik dat woord gebruik, dus het kan geen probleem zijn’. Daarna ontstond er verwarring – ‘Hoe moet ik jullie dan noemen?’ – en boosheid – ‘Censuur is het einde van de persvrijheid’. Deze kortsluiting ontstaat vanwege cognitieve dissonantie met ons zelfbeeld van witte onschuld. Ofwel: ‘We zijn een progressief tolerant land, racisme is slecht en wij zijn niet slecht.’

Er is sprake van een spagaat. Op onbewust niveau hebben we meegekregen dat wit superieur is, terwijl we op bewust niveau te horen kregen dat iedereen gelijk behandeld behoort te worden. De ouders van de kinderen die meededen aan ons experiment met de witte en de zwarte pop gaven aan dat ze thuis niet expliciet over huidskleur en etniciteit praten omdat ze ‘er geen nadruk op willen leggen’. ‘Ik wil niet dat mijn kinderen oordelen op basis van uiterlijke kenmerken. Ik wil dat het er niet toe doet!’ riep een moeder vertwijfeld.

Dus leren we kinderen: huidskleur doet er niet toe. Terwijl ze ondertussen in de realiteit zien dat huidskleur er wél toe doet. Vragen blijven onbeantwoord. Zoals: waarom wonen er geen zwarte kinderen in deze straat met dure koopwoningen? En: waarom is mijn gymnasium helemaal wit, terwijl de scholengemeenschap om de hoek bijna geen witte leerlingen heeft?

Als ouders willen dat kinderen opgroeien met minder geïnternaliseerde witte superioriteit zal er iets moeten gebeuren, anders nemen kinderen het algemene beeld van wit = superieur onwillekeurig over. Om dit tegen te gaan helpen boeken, films en positieve rolmodellen van kleur. Ook kritische doch toegankelijke gesprekken over machtsverhoudingen kunnen kinderen inzicht bieden.

Een kind onder de evenaar

De realisatie van witte superioriteit is voor veel mensen pijnlijk en ongemakkelijk. Ik probeer mijn eigen houding, sinds ik me hier bewust van ben, kritisch tegen het licht te houden. Nu besef ik dat ik er te vaak vanuit ben gegaan dat ik als een soort neutrale scheidsrechter kon oordelen. Als ik kijk naar mijn eigen socialisatie: mijn ouders spraken zich uit tegen het apartheidsregime in Zuid-Afrika en de politiek van Hans Janmaat. Maar ze corrigeerden culturele uitingen die witte superioriteit normaliseerden niet. We lazen met plezier over de avonturen van Pippi Langkous, wier vader in Taka Tukaland ‘de negerkoning’ werd. Dus: een witte man spoelt aan op een tropisch eiland vol ‘inboorlingen’ met rieten rokjes aan en wordt automatisch de baas.

We draaiden bij mij thuis de plaat van Kinderen voor Kinderen grijs: ‘Een kind onder de evenaaaar is meestal maar een bedelaaaaar.’ Afrikaanse kinderen zijn zielig en afhankelijk van onze goedheid leerde ik via deze tekst. Als je opgroeit met de welbekende beelden van zwarte kinderen met hongerbuikjes en vliegen in de ogen, denk je misschien dat bedelende kinderen ‘de realiteit’ zijn in landen rond de evenaar. Terwijl dat natuurlijk uitzonderingen zijn.

Deze vooronderstelling van kommer en kwel buiten het ‘beschaafde Westen’ kan ertoe leiden dat een witte Buitenhof-presentator de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Adichie Ngozie in zijn programma introduceert met de tekst dat ze ‘een gelukkige jeugd heeft gehad’. Je verwacht het niet, gezien het feit dat ze uit Afrika komt – dat is de onuitgesproken aanname. Terwijl bij een witte schrijver de jeugd waarschijnlijk enkel benoemd zou worden als die heel traumatisch is geweest.

Een gekleurde blik

De witte blik is niet neutraal of objectief, maar gekleurd. Als wij witte mensen accepteren dat we allemaal in min of meerdere mate gesocialiseerd zijn met witte superioriteit, dan kunnen we ook een beschaafder bewustzijn hierover ontwikkelen. We hoeven ons niet laten verlammen door een collectief schuldgevoel, maar we moeten wel verantwoordelijkheid nemen voor ons discriminerend gedrag.

Ons zelfbeeld hoeft niet te imploderen als we gecorrigeerd worden. Want als we concrete feedback krijgen, zoals ‘Kun je het n-woord in het vervolg niet meer gebruiken?’ of ‘Als je mij een boze columnist noemt devalueert dat mijn boodschap’, betekent dat niet dat we een slecht mens zijn. Als we onze morele status hiervan af laten hangen, maken we het heel moeilijk voor mensen die racisme of discriminatie ervaren en dit willen agenderen. Maar als we naar feedback kunnen luisteren, in openheid en zonder defensieve reflexen, kunnen we ons gedrag aanpassen om uiteindelijk tot een gelijkwaardige samenleving te komen.