Hoe 'Hester' in Amsterdam kwam

, Mathijs Daan

De Sefardisch-Joodse vluchteling Jacob Barocas vertaalde Lope de Vega’s toneelstuk La hermosa Ester, dat in 1659 zijn Amsterdamse première beleefde. Mathijs Deen maakte voor OVT een documentaire in Het Spoor Terug.

Zondag 26 November in OVT

NPO Radio 1, 10.00 - 12.00 uur

 

Als hij niet was doodgegaan, zou Jacob Barocas dit jaar 400 geworden zijn, maar hij werd niet ouder dan 55. In het rampjaar 1672 overleed hij en zijn stoffelijk overschot werd – tegen de stroom oorlogsvluchtelingen in – in een lijkkist op een trekschuit via de Amstel naar Ouderkerk vervoerd, waar hij op de begraafplaats van Sefardische Joden uit Amsterdam is begraven. Barocas stierf als een praktiserende jood. Hij liet een oventje voor Pesach na en een lamp voor de sabbat. Hij was geboren als converso, wat wil zeggen dat hij een kind was van een Joodse familie die zich onder dreiging van de inquisitie tot het christendom had bekeerd. Waarschijnlijk stond zijn wieg in Portugal en vluchtte hij vanwege toegenomen repressie en vervolging over de Pyreneeën naar Frankrijk, waar in steden als Toulouse en Rouen Joodse gemeenschappen min of meer werden getolereerd.

In 1640 duikt hij voor het eerst op in Amsterdam. Hij was nog jong, 23 jaar. Wilde hij zijn verdere leven slijten onder de protectie van de Portugese gemeente in Amsterdam, dan moest hij zich laten besnijden en zich laten onderwijzen. Want hoe dit ook al weer moest, praktiserend joods zijn, dat waren de Sefardisch-Joodse vluchtelingen vergeten na al die jaren katholiek dopen, bidden en biechten.

Underdog

Hij was één uit duizenden, niemand herinnerde zich zijn naam, totdat Olga van Marion van de Universiteit Leiden en Frans Blom van de Universiteit van Amsterdam hem tegenkwamen in hun onderzoek naar Spaans toneel in de Gouden Eeuw. Sinds Amsterdam in 1638 op de Keizersgracht een heuse schouwburg had gekregen, ­konden de Amsterdammers twee keer per week naar het toneel. En dat deden ze ook. Aanvankelijk stukken van toneelschrijvers die we allemaal wel kennen, zoals Bredero, Hooft en natuurlijk Vondel. Vanaf 1646 kwam daar een andere toneelschrijver bij, iemand die zijn Hollandse collega’s in populariteit voorbij galoppeerde toen zijn werk in een Nederlandse vertaling verscheen. Die man was Lope de Vega, een vrome katholiek uit Spanje, het land waarmee de Nederlanden al bijna tachtig jaar oorlog voerden. Applaudisseerden de Amsterdammers beleefd en bij vlagen best enthousiast voor de Nederlandse toneeldichters, bij de stukken van Lope de Vega braken ze de tent af. Hij gaf het publiek waar het naar hongerde: seks, wraak, wreedheid, liefde, bloed en het lot van de wankelmoedigen. Wie ervan getuige wilde zijn hoe boontje zo wreed mogelijk om zijn loontje kwam, hoe hoogmoed leidde tot een diepe val, hoe het bloed van tirannen vloeide en de underdog kwam bovendrijven, werd door Lope de Vega op z’n wenken bediend.

Vrouwenrollen

Ten minste zeven toneelstukken van Lope de Vega werden vertaald door Barocas, maar er was één zaak waar de vluchteling in zijn nieuwe vaderland raar van zal hebben opgekeken; er mochten, anders dan in Spanje, geen vrouwen spelen op het toneel. Wel op de kermissen en bij dorpsfeesten, maar niet op de planken van de schouwburg. Vrouwenrollen werden door in jurken gestoken mannen vertolkt.

En dit terwijl dat ene stuk van Lope de Vega in zijn zak gebrand moet hebben, La hermosa Ester, een verdichting van het Bijbelboek Esther. Daarin wordt Esther – een vrouw die moet verbergen dat ze Jodin is – door de Perzische koning Ahasveros gekozen tot zijn bruid. Ahasveros is zo onder de indruk van Esthers schoonheid dat hij haar alles geeft wat ze van hem verlangt. Ze wil echter maar één ding: dat de koning zijn onderknuppel Haman, die bezig is alle Joden in het Perzische Rijk uit te moorden, uitnodigt voor een intiem etentje. Fijn met z’n drieën: Ahasveros, Haman en Esther.

Tijdens het etentje onthult Esther op een goedgekozen moment dat ze Jodin is en dat Haman dus bezig is de schoonfamilie van de koning uit te moorden. Ahasveros ontsteekt in woede en Haman wordt weggesleept en opgeknoopt. De hooggeplaatste valt diep en jammerlijk. Het verdrukte volk wordt gered. Een gegarandeerde kaskraker.

Maar een oogverblindende koningin gespeeld door een man? Barocas wachtte met zijn Esther tot de tijd rijp was.

Tafelscène

Dat moment kwam halverwege de jaren vijftig van de zeventiende eeuw. De afwezigheid van vrouwen op het toneel begon langzamerhand bespottelijk te worden. De stad ging overstag en de schouwburg engageerde de rondreizende actrices Ariane van de Bergh en Susanna van Lee. De eerste voor de kwade, de tweede voor de zachtere rollen. De Amsterdammers sloten hen in het hart. De zaal juichte en de dames toucheerden meer dan hun populairste mannelijke collega’s. De tijd was er rijp voor. Barocas vertaalde La hermosa Ester en de dichter Joan Serwouters maakte er een berijming van voor toneel. Hij noemde het stuk eenvoudigweg Hester. In juni 1659 ging het in première.

Omdat het Barocas niet voor de wind was gegaan, zou hij de première van Hester in de schouwburg niet bijwonen. Hij ging naar de West om zijn geluk te beproeven op het schiereiland Cayenne en maakte dus niet mee hoe Susanna van Lee Hester vertolkte en ook niet dat Rembrandt en Jan Steen de tafelscène met Hamans val op het doek vastlegden.

In 1661 keerde Barocas weer terug in Amsterdam. Hij profiteerde niet van het succes en stierf elf jaar later in armoede.

Susanna van Lee, die na Hester nog vele triomfen op het toneel zou vieren, stierf in 1700. Ze had toen al vijftien jaar niet meer gespeeld, maar ze werd begraven als een diva. De klokken van de Nieuwe Kerk op de Dam luidden twee uur lang onafgebroken. Hester werd nog tot ver in de achttiende eeuw met succes opgevoerd.