Een leidinggevende van traumacentrum Altrecht, die zonder toestemming stelselmatig heeft meegelezen in het dossier van een cliënt, is daarvoor berispt door het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam. De vrouw deed dit naar eigen zeggen ‘uit nieuwsgierigheid’ en ‘omdat ze bezig was zich een mening te vormen’ over de behandelmethode. Inmiddels is het Topreferent Traumacentrum (TRTC) opgeheven.

Tot 10 juli 2019 liep haar behandeling goed, vertelt Merel* tijdens de zitting bij het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam. Bijna twee jaar werd ze behandeld bij het Topreferent Traumacentrum (TRTC) van GGZ-instelling Altrecht in Utrecht. De wachtlijsten bij die TRTC’s zijn lang, want er waren er maar vijf in heel Nederland. Ze zijn gespecialiseerd in het behandelen van langdurige traumatisering in de vroege kindertijd.

Merel stond 2,5 jaar op de wachtlijst voordat ze terechtkon bij het TRTC Altrecht. In haar dossier staat dat ze een voorgeschiedenis heeft van seksueel misbruik vanaf zeer jonge leeftijd door opa en ook ritueel misbruik. ‘Er is onder meer sprake van herbelevingen, overprikkeling, nachtmerries, dissociatie en chronische suïcidaliteit.’ Merel kreeg de diagnose DIS (dissociatieve identiteitsstoornis) met PTSS-klachten.

‘Ik wil eigenlijk niet zeggen waarvoor ik in behandeling was’, zegt Merel voorafgaand aan de tuchtzitting tegen Argos. ‘Ik vind dat heel privé. Daarom heb ik juist een klacht ingediend.’

Omdat bovenstaande informatie nu openbaar is gemaakt in de uitspraak van het Tuchtcollege, heeft Merel er begrip voor dat we dat publiceren. Op haar verzoek houden we haar verder anoniem, en citeren we haar niet over haar privésituatie of trauma’s.

TRTC Altrecht

Het TRTC Altrecht was een van de zestien zorgeenheden van GGZ-instelling Altrecht. De afdeling werd geleid door een teamleider en een inhoudelijk leidinggevende. De inhoudelijk leidinggevende is degene tegen wie de Tuchtklacht is aangespannen. Zij dacht niet alleen bedrijfsmatig mee over de afdeling, maar was als Klinisch Psycholoog ook aanwezig bij teamoverleg over cliënten, en ze dacht inhoudelijk mee over de behandelingen. Omdat het TRTC een kleine afdeling was, was de inhoudelijk leidinggevende ook verantwoordelijk voor twee andere zorgeenheden: het Academisch Angstcentrum en het transdiagnostisch centrum.

Ouders op de stoep

‘Ik ben naar het TRTC gegaan omdat ik dacht dat het een emotioneel veilige afdeling zou zijn’, vertelt Merel. Ze was blij met haar keuze. ‘Ik ging vooruit. Ik werd eindelijk goed geholpen.’

Alles veranderde op woensdag 10 juli 2019, toen haar ouders op de stoep stonden bij het TRTC. Merel had al langere tijd geen contact met hen, maar nu zijn ze naar Altrecht gekomen omdat zij willen praten over hun dochter die daar in behandeling is. Ook willen ze vertellen over hoe zij bepaalde gebeurtenissen in hun dochters jeugd hebben beleefd. De inhoudelijk leidinggevende laat de ouders binnen en hoort ze aan, samen met de teamleider van de afdeling.

Merels behandelaar en de regiebehandelaar wisten van niks. Ze zijn bij de tuchtzitting opgeroepen als getuigen. ‘Dit ging tegen alle richtlijnen in', zeggen ze allebei. ‘Wij hebben per definitie geen gesprekken met mensen die over een cliënt willen praten’, zegt de regiebehandelaar. ‘En al helemaal niet als een cliënt daar geen toestemming voor heeft gegeven of niet van op de hoogte is.’

Transcript Tuchtzitting

Tuchtcollege: ‘Als ik de regiebehandelaar goed begrijp zou die, als ouders zich melden bij de poort zeggen: “Hier heb je een kop koffie, ik luister niet.”

Leidinggevende: ‘Natuurlijk, ik ook.’

Tuchtcollege: ‘Nee, u heeft ze aangehoord.’

Leidinggevende: ‘Dat klopt, maar ik heb dat natuurlijk niet zo willen doen.’

Tuchtcollege: ‘Maar u heeft dat wel gedaan.’

Leidinggevende: ‘Dat klopt. Het moment dat die ouders er stonden, op woensdagmiddag, voor mij volkomen onverwacht, heb ik een aantal dingen afgewogen en heb ik besloten om dat gesprek wel te doen. Achteraf denk ik dat ik dat niet had moeten doen.’

Waarom ging de leiding dan toch met Merels ouders in gesprek? De leidinggevende geeft allerlei excuses: De vader van Merel is minder mobiel, ze gaat zelf bijna op vakantie en ze wil de ouders niet wegsturen zonder hen te hebben aangehoord. ’s Avonds belt ze meteen de regiebehandelaar om te vertellen wat er is gebeurd. Die realiseert wat een enorme impact dit incident op Merel gaat hebben. Dat blijkt te kloppen:

‘Ik heb er nachten niet van geslapen’, zegt Merel. ‘Heel veel extra klachten gehad. Mijn traumatherapie kwam abrupt tot stilstand.’ Het is ook te zien in het dossier van Merel. De daaropvolgende maanden gaan de behandelgesprekken consequent over het bezoek van haar ouders. Merel is in de war en in paniek. Ze is steeds bang om haar ouders tegen te komen als ze naar Altrecht gaat. Ze weet niet wat ze nog kan vertellen in therapie. Ze is suïcidaal.

Het voorval is vorig jaar beoordeeld door de GGZ Klachtencommissie. De commissie vindt het voorval zeer ernstig. Juist op een TRTC, waar de cliënten enorme problemen hebben met hechting en vertrouwen, is ‘zorgvuldigheid in de omgang met deze doelgroep en de bescherming van de rechten van deze patiënten van groot belang’. Ook wijzen ze erop dat het juist bij cliënten die in behandeling zijn voor vroegkinderlijk trauma een reëel risico is dat ouders en familieleden van die patiënten (direct of indirect) te maken hebben gehad met het trauma van patiënten. De inhoudelijk leidinggevende van de afdeling zou dat toch moeten weten?  

‘Hele dossier uitgespit’

Het Tuchtcollege noemt het aangaan van het gesprek met de ouders ‘bepaald onzorgvuldig’. Ook valt het hen op dat de leidinggevende steeds wisselende verklaringen aflegt over het bezoek. Was het bij dit ene bezoek van de ouders gebleven, dan had het Tuchtcollege de leidinggevende niet berispt. Maar het bleef daar niet bij: nog diezelfde avond opent de leidinggevende het dossier van Merel. In anderhalf uur tijd bekijkt ze meer dan honderd stukken. Merel: ‘Ze heeft niet alleen de rapportages van mijn behandeling gelezen, maar ook de verslagen van diagnostische onderzoeken en mijn persoonlijke e-mails aan de vaktherapeut.’

Zitting Tuchtcollege

Tuchtcollege: ‘U had dat gesprek gehad met die ouders. Wat was de reden dat u ’s avonds in het dossier ging kijken?’

Leidinggevende: ‘Omdat in het gesprek deze ouders informatie gaven over een aantal dingen die gebeurd zijn in het leven van deze patiënt. Daar hebben ze iets over verteld. En ik ben ’s avonds in het dossier gaan kijken omdat ik deze hele casus niet kende en wel nieuwsgierig was zou ik maar zeggen. Zo van, goh, wat is dit eigenlijk voor een cliënt? Waar gaat dit over? En toen heb ik opgemerkt: er staat wel heel weinig in over die traumageschiedenis.’

Het is Merel zelf die het snuffelen heeft ontdekt. Toen ze een klacht indiende over het gesprek met haar ouders, had de leidinggevende opgevoerd dat ze het beroepsgeheim niet kon hebben geschonden omdat ze niks van Merel en haar behandeling wist. Wie geen informatie heeft, kan die ook niet prijsgeven. Het bleef knagen bij Merel. Klopte dat wel? ‘Iemand tipte mij dat GGZ-instellingen altijd logbestanden bijhouden van wie wanneer in dossiers heeft gekeken, en dat je die kunt opvragen. Dus dat heb ik gedaan’, vertelt Merel. ‘Toen kwam ik dus erachter dat ze mijn hele dossier heeft uitgespit.’

Ook bleek uit de loggegevens dat de leidinggevende voorafgaand aan het gesprek met Merels ouders al kennis had van het dossier. Op 15 mei, twee maanden voor de ontmoeting, opende ze meer dan veertig rapportages. Vlak voor het gesprek bekijkt ze ook nog enkele stukken.

In de maanden die volgen blijft de leidinggevende het dossier lezen. ‘Toen ik in augustus [na mijn vakantie] weer aan het werk ging heb ik even gekeken omdat ik ook wel bezorgd was’, vertelt de vrouw tijdens de tuchtzitting. ‘Hoe gaat het met deze patiënt?’ En daarna ‘vond ik het belangrijk vanwege de reuring die ik bij mevrouw had gegeven, dus vanuit dat oogpunt heb ik het toch ook wat gevolgd.’

Zo weet de leidinggevende dus hoe erg Merel het vond dat haar ouders op bezoek zijn geweest. Ze leest dat Merel er suïcidaal van is, en niet weet of ze zich nog wel voldoende open kan stellen bij het TRTC om haar behandeling daar te vervolgen. Toch spreekt ze in september opnieuw af met Merels ouders.

Zitting Tuchtcollege

Tuchtcollege: ‘U heeft een tweede gesprek met de ouders gehad, hoewel de nadrukkelijke wens van [Merel] was om dat niet te doen. En ook het [behandel]team was daartegen, begreep ik uit de stukken. Wat zijn uw overwegingen geweest?’

Leidinggevende: ‘We hadden de ouders gezegd dat we nog zouden terugkoppelen. Ze wilden ook weten of aan Merel gezegd zou worden dat ze waren geweest.’ […]

Tuchtcollege: ‘Heeft u ook overwogen om dat telefonisch te doen?’

Leidinggevende: ‘Ja, dat heb ik overwogen. Maar omdat ze per se nog ene keer wilden komen heb ik gezegd: “Nou, dat kan. Maar het zal maar heel kort zijn.” Dus ze zijn maar kort geweest, en toen was het klaar.

De behandeling bij het TRTC draait voor een groot deel om vertrouwen, legt Merel uit tijdens de tuchtzitting. ‘Je moet leren dat je zorgverleners kunt vertrouwen, terwijl mensen in je vroegere leven je vertrouwen zo hebben beschaamd. Je leert oefenen met grenzen stellen.’ En dan gaat juist de leidinggevende over alle grenzen heen.

Het Tuchtcollege oordeelt dat de leidinggevende had moeten afzien van het gesprek met de ouders van Merel. Er is een onjuiste afweging gemaakt tussen de belangen van Merel en haar behandelaars enerzijds, en die van de ouders anderzijds. Gezien haar positie binnen de organisatie had van haar een andere beslissing mogen worden verwacht. Het college rekent haar dit aan. De klacht van Merel is gegrond.

Ook Merels klacht over de inzage in haar dossier is gegrond. De leidinggevende heeft niet duidelijk gemaakt waarom ze langdurig en intensief dit dossier heeft gevolgd.

Het Tuchtcollege merkt op dat anderen dan de directe hulpverleners geen kennis mogen nemen van het dossier zonder dat de betreffende patiënt daarvan op de hoogte is.

’Een verschrikkelijk gesprek’

Dit verhaal krijgt een nieuwe wending als twee getuigen worden opgeroepen: de behandelaar van Merel en de regiebehandelaar. Achter de schermen speelde zich van alles af waar de cliënten van het TRTC geen weet van hadden. Beide getuigen vertellen onder ede hoe ze op de ochtend na de ontmoeting met Merels ouders bij de leidinggevende worden geroepen. ‘Je hebt iets heel ernstigs gedaan’, begon de leidinggevende het gesprek. De behandelaar is nog steeds ontdaan als ze erover vertelt: ‘Het was een verschrikkelijk gesprek. Ik begreep eruit dat ze de ouders van mijn cliënt had gesproken, en dat ze daaruit concludeerde ze dat ik suggestief had behandeld.’ Dat houdt in dat de behandelaar het trauma heeft aangepraat. ‘Er zijn hier keurige ouders geweest’, zei de leidinggevende. De behandelaar vroeg: ‘Houdt u het ook voor mogelijk dat wat mijn cliënt [over haar verleden] vertelt waar is?’. ‘Nee’, antwoordde de leidinggevende.

De regiebehandelaar bevestigt het relaas van de behandelaar. Zij was bij het gesprek aanwezig en herinnert zich dat de leidinggevende meermaals zei dat de behandelaar suggestief is geweest. ‘Ze benoemde dat het een risico is bij het behandelen van de cliënten die wij hadden op de afdeling en ze vroeg of daar wel voldoende aandacht voor was geweest. Ik kreeg het idee dat ze er, op basis van het gesprek met de ouders, serieus rekening mee hield dat het gebeurd was in deze behandeling [van Merel]. En dat zonder dat ze de behandelaar zelfs maar erover gesproken had.’

Het is een gevoelige discussie

Er zijn geheugendeskundigen die menen dat DIS een ‘sociocognitieve stoornis’ is. Chargerend: een stoornis die wordt aangepraat. Dat betekent dus ook dat de traumaherinneringen van cliënten met DIS niet zouden kloppen. De internationale richtlijnen, en ook de Nederlandse Zorgstandaard voor DIS, stellen dat DIS wordt veroorzaakt door vroegkinderlijk trauma. Uit nieuw neurologisch onderzoek blijkt dat DIS in de hersenen verwant is met PTSS, en dus gerelateerd aan trauma. Bij het TRTC behandelen ze DIS volgens het traumamodel. Bij het Academisch Angstcentrum, dat onder dezelfde leidinggevende valt, werken juist behandelaars die daar actief kritiek op uiten.

De leidinggevende bevestigt dat ze in het dossier van Merel op zoek was gegaan naar aantekeningen over Merels trauma. Die stonden er nauwelijks in. Daarom heeft ze gezegd dat ze de behandelaar wantrouwt. ‘Als iemand twee jaar bij ons in behandeling is en je vindt heel weinig terug, dan geeft dat geen vertrouwen. Dat heb ik vooral willen zeggen, alleen hebben we een slecht gesprek gehad.’

Het gesprek eindigt ermee dat de behandelaar en de regiebehandelaar ‘een dienstopdracht’ krijgen om zo snel mogelijk met Merel te praten. ‘We moesten haar twee dingen uitleggen’, zegt de behandelaar. ‘We moesten haar vertellen over het bestaan van hervonden herinneringen, en over de impact op haar familie.’

Merels behandelaar noemt het gesprek ‘het meest beschadigende wat ze in haar carrière als psycholoog meemaakte’. In een vervolggesprek heeft ze aangegeven dat het haar beter leek om de leidinggevende een periode niet te zien. Ze werd op een andere afdeling geplaatst. 

Het Tuchtcollege stelt dat de leidinggevende een te beperkte basis gehanteerd heeft voor haar scherpe en zeer vergaande conclusies over zowel het functioneren van de behandelaars, als over de verklaring van Merel over haar verleden en de behandeling van haar trauma. […] Het Tuchtcollege acht de klacht gegrond dat de leidinggevende de ouders heeft betrokken in de behandeling van de cliënt.

Mot op de afdeling

Tijdens de Tuchtzitting komt meer naar boven over onrust bij het TRTC. De leidinggevende begint er aan het begin van de zitting zelf al over. Ze was leidinggevende van het TRTC, het Academisch Angstcentrum en van het transdiagnostisch team. En het TRTC, ‘dat was een team dat niet functioneerde zoals het zou moeten’. In tegenstelling tot andere afdelingen huisde het TRTC niet in het grote Altrecht-gebouw in Lunetten, waar de leidinggevende haar kamer had, maar in een kleine villa in Zeist. ‘Helemaal apart. Heel veel dingen waren anders en apart bij het TRTC. […] Toen ik er kwam werken heb ik met een aantal stappen geprobeerd om daar toch wat verandering in te brengen.’

Het TRTC verhuist eind 2018 van Zeist naar Lunetten, en er wordt ook geëxperimenteerd met schematherapie voor DIS, in plaats van met de behandeling volgens het structurele dissociatie-model waar de afdeling sinds de oprichting in was gespecialiseerd.

Zorgstandaard dissociatieve stoornissen

Klik op 'open' voor meer informatie

Volgens de zorgstandaard dissociatieve stoornissen wordt DIS in Nederland vooral behandeld ‘vanuit de visie van het traumaperspectief en binnen het fasemodel, zoals ook geadviseerd wordt in internationale richtlijnen. […] Het wordt wereldwijd door de meeste behandelaars van dissociatieve stoornissen gezien als standard of care. Het fasemodel is onderdeel van de structurele dissociatie-behandeling die bij het TRTC werd aangeboden.  
De leidinggevende van het TRTC wilde echter meer DIS-patiënten gaan behandelen met schematherapie. In de Zorgstandaard is te lezen dat schematherapie nooit is onderzocht bij patiënten met DIS. Wel is het in enkele onderzoeken effectief bevonden bij patiënten met borderline en complexe PTSS.

Argos onthulde vorig jaar dat de LEBZ, de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken, een coup pleegde op de eerste versie van de Zorgstandaard Dissociatieve Stoornissen. Zij vroegen instanties om de Zorgstandaard niet te autoriseren. Opvallend is dat de ondertekenaars ook pleitten tegen de behandeling van DIS via het fasemodel, omdat daar geen Randomized Controlled Trial-onderzoeken naar zijn uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn wel gedaan naar schematherapie (maar dan bij borderline en PTSS). De initiatiefnemer van deze brief is werkzaam bij het Academisch Angstcentrum van Altrecht.

Merel werd behandeld volgens het structurele dissociatiemodel. Tijdens de tuchtzitting bekent de leidinggevende dat ook dat een reden vormde om mee te gaan lezen in haar dossier. ‘Ik was me daar een idee over aan het vormen. Hoe verloopt zo’n behandeling vanuit dat structurele dissociatiemodel? Willen we daar nog wat mee of niet?’

Vervolgens voert de leidinggevende aan dat ze ook is blijven meelezen om te beoordelen hoe de behandelaar haar werk deed. De behandelaar was hier niet van op de hoogte. Na dat ene ‘verschrikkelijke gesprek’ heeft de leidinggevende de behandelaar ook nooit meer feedback gegeven op haar functioneren.

De ontmoeting met de ouders van Merel, en het daaropvolgende ‘verschrikkelijke gesprek’ met de behandelaars hadden grote impact op de hele afdeling. ‘Het deed iets met ons vertrouwen’, verklaart de regiebehandelaar. ‘Omdat we eigenlijk allemaal wel dachten: stel dat de ouders van een cliënte van mij op de stoep staan, ben ik dan de volgende die zo aangesproken wordt?’

TRTC opgeheven

Merels behandelaar vertrekt. Uit achtergrondgesprekken die Argos heeft gevoerd blijkt dat het incident rondom de ouders van Merel ook voor andere behandelaars op de afdeling de druppel is geweest. Op 1 januari 2020 wordt TRTC Altrecht opgeheven als Topreferent traumacentrum. ‘Vanwege het vertrek van enkele belangrijke behandelaren [kunnen we] niet meer die specialistische zorg bieden’, staat op een briefje in de wachtkamer. ‘Vanaf 1 januari 2020 biedt Altrecht Trauma TRTC geen behandeling meer vanuit het structurele dissociatie model.’ Patiënten uit de regio Utrecht kunnen terecht bij het Academisch Angstcentrum. ‘Behandeling wordt geboden vanuit het kader van schematherapie.’

Alle patiënten van buiten de regio belanden opnieuw op wachtlijsten. Een cliënt pikt het niet langer, en gaat met haar hulphond voor het ministerie zitten. Het is de start van de Lijm de Zorg-campagne voor betere geestelijke gezondheidszorg. Staatssecretaris Blokhuis beloofde actie. ‘We laten het niet bij woorden, er komen ook daden.’

Van de vijf TRTC’s zijn er nu nog meer vier over. De wachtlijsten voor de GGZ blijven groeien.

Serieus genomen worden?

Merel is niet meer in behandeling bij Altrecht. Zij heeft inmiddels een particuliere behandelaar gevonden. Op haar laatste therapie-dag heeft ze een klacht ingediend bij de GGZ Klachtencommissie. Die is op alle punten gegrond verklaard.

‘Waarom zet je nu de stap naar het Tuchtcollege?’, wil de voorzitter weten. ‘Omdat ik hoop dat de leidinggevende de uitspraken van het Tuchtcollege serieuzer neemt dan die van de klachtencommissie’, antwoordt Merel. Want terwijl Merel, de behandelaars en de cliënten van buiten de regio allemaal bij Altrecht zijn vertrokken, zit de leidinggevende nog gewoon op haar plek. Ze is ook blijven neuzen in dossiers, dat is te zien in de loggegevens die andere (oud-)cliënten hebben opgevraagd. De klacht van een van die cliënten is recent voorgelegd aan de GGZ Klachtencommissie. Die oordeelt: ‘De leidinggevende geeft ter zitting weinig blijk van begrip voor de kwetsbaarheid van TRTC-patiënten met betrekking van geheimhouding van hun zeer privacygevoelige gegevens, die zij, vaak met grote moeite, met hun directe behandelaar(s) hebben gedeeld.’

Conclusie Tuchtcollege

Het Tuchtcollege betrekt in haar oordeel de (inhoudelijke, leidinggevende positie) van verweerster in de organisatie en de voorbeeldfunctie die daarbij hoort. De klachtonderdelen op zichzelf, en in onderling verband leiden ertoe dat er niet kan worden volstaan met een waarschuwing. Het college is van oordeel dat het opleggen van een maatregel van berisping passend en geboden is.

We hebben de advocaat van de leidinggevende om een reactie gevraagd. Die geeft aan dat zij nog niet met haar cliënt heeft kunnen overleggen over de uitspraak, en dat zij niet weet of haar cliënt tegen de uitspraak in beroep zal gaan.

Reactie Altrecht

Klik op 'open' voor meer informatie

We nemen de uitspraken van het Tuchtcollege zeer serieus, wetende dat niemand bewust in deze situatie terecht wilde komen. We willen ten alle tijden voorkomen dat behandelingen van Altrecht deze wending krijgen. We moeten en willen hiervan leren en onze zorg voor patiënten en hun naasten continu verbeteren.

Heeft deze berisping gevolgen voor de inhoudelijk leidinggevende?

We hebben de uitspraak net ontvangen. De berisping heeft gevolgen en laat sporen na, persoonlijk en professioneel. We leren hiervan en blijven onverminderd kritisch op de kwaliteit van zorg die Altrecht biedt aan patiënten en hun naasten.

Is de sluiting van het TRTC een direct of indirect gevolg van wat zich hier heeft afgespeeld?

Al een aantal jaren was er om diverse redenen zorg en aandacht voor het TRTC. In 2019 is ervoor gekozen om het TRTC als zelfstandige zorgeenheid op te heffen en het team onder te brengen bij het Academisch Angstcentrum van Altrecht.