Waar gaat het heen met het pretpark? Kunnen de achtbanen nog groter of bezoeken we Duinrell en Slagharen straks thuis op de bank met een virtualrealitybril op de neus?

Bij ons thuis hangt een prent uit 1761. Daarop het klimduin hier om de hoek, bij uitspanning Kraantje Lek in Overveen. We komen daar vaak en in tweeënhalve eeuw is er niks veranderd. Laatst telde ik op dat plaatje de tientallen klauterende figuurtjes tegen het duin. En in dat gekrioel dacht ik heel even ons eigen gezinnetje te ontdekken, met zoon Midas vooruit rennend.

Een vrolijke illusie, omdat het plezier van die achttiende-eeuwers zo exact lijkt op dat van ons. En dat ook de kinderen van toen dit tijdloze geluk hebben gekend. Dat je blootvoets bovenaan een duin staat, het fijne zand rusteloos wegglijdend tussen je tenen. Helemaal beneden wuiven vriendjes. Je zet je schrap, een reuzensprong en daar ga je, in iets tussen vallen en zweven de diepte in. Steeds sneller en wilder tot je niet meer weet waar je ledematen uithangen. Als je onder bent aangekomen, laat je alles donderen in het zachte zandbed, draaierig en dolblij.

Nou, precies het herbeleven van dat geluk is de bestaansreden van al die draaimolens, octopussen en achtbanen in Duinrell, Slagharen en Bobbejaanland.

Maar terwijl de zomerse duinen en winterse sleeheuveltjes nooit vervelen, moeten pretparken iedere twee, drie jaar iets nieuws bouwen om publiek te trekken. Waarom eigenlijk? Wat is het geheim van zo’n simpel klimduintje? Dat moet snel ontsluierd, want al dat pretparkvertier ligt onder vuur. Nog even en je kan iedere achtbaan (wereldwijd zijn dat er 2800) via een app op je virtualrealitybril zetten en thuis op de bank beleven. En wat vanaf de bank kan, dat zal vanaf de bank gebeuren. Of loopt het zo’n vaart niet?

Bakken

Eerst bel ik met Salvador Clavé, een Spaanse pretparkwetenschapper. Hij denkt niet dat virtual reality een gevaar is voor het echte zweven en rollen, maar eerder een toevoeging. Toch denkt hij dat veel lunaparken het in de toekomst moeilijk gaan krijgen. ‘Althans de algemene pretparken zoals jullie in Noord-Europa veel hebben.’ Die verschillen niet wezenlijk en concurreren elkaar de tent uit met steeds grotere attracties, omdat dat het enige is waarmee ze zich kunnen onderscheiden. Dat is een doodlopende weg. ‘Want de toekomst is aan parken die aansluiten op de cultuur en geschiedenis van hun omgeving, die daar gebruik van maken. En aan parken met een eigen verhaal.’ Van dat laatste is de Efteling een wereldberoemd voorbeeld. Maar daar is al zo veel over gezegd, en daarom pak ik de trein naar Denemarken voor twee wel heel bijzondere plekken.

In het lommerrijke Klampenborg ten noorden van Kopenhagen bezoek ik eerst het oudste pretpark ter wereld. Dyrehavsbakken (Hertenparkheuvel) ligt helemaal open in een imposant woud. De entree is gratis, je betaalt per attractie, zoals op de kermis, en er zit geen hek omheen. Je loopt aan alle kanten zo het bos in, en dan merk je hoe snel de vogels het geluid overnemen van de botsauto’s en het drakenschip. Ik hoor nog net de holle weerkaatsing van het gegil in de achtbaan tegen de eeuwenoude woudreuzen als ik bij de bron van Bakken (zoals ze hier kortweg zeggen) bent aangekomen. Dat is een iel waterstroompje uit de vissenmond van een natuurstenen monument. Waarbij een tekst over Kirsten Piil, het meisje dat hier in 1583 ’s nachts verdwaalde en dacht dat haar einde was gekomen. Tot ze dit beekje vond, dat haar de weg terug naar de stad wees.

Een wonderbron dus, en dat trok voortaan jan en alleman aan: zieken op zoek naar genezing, wandelaars op jacht naar een verzetje. En in hun kielzog kwamen eettentjes, en artiesten die hun kunsten vertoonden.

Gemoedelijke sfeer in Bakken

Tivoli

De levende getuigen van toen zijn nog overal in Bakken te vinden. Want midden tussen de attracties staan knoestige eiken die met gemak het begin hebben meegemaakt, en naast de oudste boom treedt sinds 1800 driemaal daags een klassiek wit geschminkte pierrot op. Even verderop draait een onopvallende paardencarrousel al meer dan honderddertig jaar rondjes; mottig, piepend en krakend, want beladen met de geschiedenis van illustere berijders, zoals de Russische tsaar. Toch was en is Bakken vooral een park voor de gewone mensen, waar je ook je eigen mandje mee naartoe mag nemen voor een picknick. En een andere constante door de eeuwen heen is alcohol. Hier wordt enorm ingenomen en hoewel het management bezweert dat die reputatie achterhaald is, zie ik op deze ochtend al de drankneuzen voorbij sjokken. Al met al een ijzeren formule en elke Kopenhagenaar, elke Deen kent Bakken. Ja, dit kan zo eeuwig doorgaan, en lijkt in ieder geval op niets wat we in Nederland kennen.

Maar nog beroemder is Tivoli. Een compact park van – wat zal het zijn – zeven, acht hectare in het hart van Kopenhagen, pal naast het gemeentehuis. Ook dit is een antiek vermaaksoord, na Bakken en het Weense Prater ’s werelds oudste. Het is een beetje sjiek, met een mooie toegangspoort, parkwachters die in feestelijk grote gouden letters ‘Tivoli’ op hun pet dragen en alles is brandschoon en perfect onderhouden.

Je kunt hier in de vervaarlijk hoge Himmelskibet rondjes draaien of een vrije val maken vanaf Det Gyldne Tårn (De Gouden Toren), maar ook rustig dutten in smaakvolle houten ligstoelen aan vijvers vol fonteinen, of in de openlucht luisteren naar het Tivoli Symphonie Orkest. Als je Denen vraagt naar hun identiteit, dan komt Tivoli als snel om de hoek kijken.

De Rutschebanen van Tivoli met de remmer in de middelste kar

Rutschebanen

Begin negentiende eeuw, nog voor de opening van dit park, was Kopenhagen een wat bekrompen stad onder hoogspanning, zonder uitgaanscultuur en in constante angst voor oorlog met de Zweden of de Duitsers. Dat kon wel wat losser, vond de kosmopolitische ondernemer Georg Carstensen, die als zoon van een diplomaat in Algiers al heel wat van de wereld had gezien. Dus stapte hij naar de koning met het plan voor een pretpark op een stuk van de oude stadswal. Dan zouden de mensen lol maken in plaats van aan politiek denken.

En zo werd Tivoli vanaf de opening in 1843 een symbool van lichtheid en vooruitgang dat het hele land de moderne tijd in sleepte. Met draaimolens op stoom, telegrafie, een fotostudio en een eigen krant waarin je kon lezen hoe je te gedragen in een mondaine stad. In het park stond ook een oosterse toren, en toen Hans Christian Andersen die had gezien, schreef hij zijn sprookje ‘De Chinese nachtegaal’. Die toren staat nog steeds, want de Denen zijn erg zuinig op Tivoli. Er is weinig ruimte en soms moet de directie wat afbreken voor iets nieuws, maar dan is er altijd groot publiek protest.

De langstlopende attractie van Tivoli is de Rutschebanen, een achtbaan uit 1914. Ik stap in, ruik het oude metaal en voel het ratelende mechaniek. Dat is zo ouderwets dat er altijd een ‘remmer’ mee moet. Die zit in het middelste wagentje, met de hand op een loei van een hendel. Bij het eerste klimmen staat de remmer half op, maakt helemaal bovenaan een breed armgebaar en duikt dan snel weg, terwijl we naar beneden suizen. Een schitterende show, zeker als je bedenkt dat deze man vijftig uur per week op de karren zit. En daarbij steeds moet opletten op tijd te remmen, omdat we anders zo van het spoor stuiteren. Een paar remmers van Tivoli hebben overgrootouders die de Rutschebanen hielpen bouwen, en er zijn nog maar een handvol collega’s over in de wereld.

Schaamte

Terug in de trein voel ik het gemis van zoiets in Nederland. Een dergelijke traditie kennen we niet. Daar staat tegenover dat we in technologisch opzicht vaak voor-lopen. Zo laat Disney al decennialang hightechachtbanen bouwen door een firma uit het Limburgse Vlodrop en in Nederland is veel digitale innovatie.

Zo zit ik op een ochtend met een virtualrealitybril op aan tafel bij Klaus Hoven, docent aan de Breda University of Applied Sciences. Maar ik zie hem niet, want eigenlijk zit ik in een mijnschacht, in een wagentje dat over smalspoor steeds dieper de groeve in duikt. Om mij heen vallen grote brokken steen in 3D naar beneden en ik beweeg mee om ze ontwijken. Dit moet er idioot uitzien van de andere kant van de tafel, maar Klaus ontkent dat achteraf routineus – hij heeft dat soort schaamte duidelijk al vaker proberen weg te nemen.

Hoven verwacht net als Clavé niet dat virtual reality de fysieke ervaring gaat vervangen, maar ziet wel veel nieuwe mogelijkheden. ‘Die brillen kun je nu al opzetten bij veel achtbanen om de ervaring te versterken. De beelden bewegen met de rit mee, en beïnvloeden intussen jouw perceptie, geven het idee dat je hoger, sneller, steiler en vaker over de kop gaat.’ Met virtual reality kunnen pretparken hun achtbanen regelmatig en goedkoop vernieuwen.

En toch, ik weet het niet. Ik heb het idee dat er ook veel verloren gaat door die bril, wat precies kan ik niet goed duiden en daarom schrijf ik naar de American Coaster Enthusiasts (ACE), de grootste achtbaanpuristen ter wereld.

Zelf voel ik mij wat eenzaam in die virtuele wereld. Want je gaat toch met familie of vrienden naar dat pretpark voor een gezamenlijk dagje uit?

Azteken

Ik krijg bericht terug van Tim Baldwin, die allereerst verrukt is dat ik op de trein van een echte remmer heb gezeten. ‘Dat zijn de ware klassieke ritten. Helaas hebben wij die hier niet meer. Die zijn allemaal afgebroken om plaats te maken voor snelle, wilde achtbanen.’

En dan over virtual reality: ‘Een echte achtbaanervaring is veel meer dan wat je ziet. Virtual reality probeert dat allemaal weg te nemen. Vergelijk het met het eten van een ijsje. Dat is fijn. Maar met zo’n bril op, zou het eten van dat ijsje in een “andere wereld” iets toevoegen? Niet echt. Het zou het alleen raar en ongemakkelijk maken.’

Dus Baldwin is geen fan van virtual reality. En zelf voel ik mij wat eenzaam in die virtuele wereld. Want je gaat toch met familie of vrienden naar dat pretpark voor een gezamenlijk dagje uit? Toch is intussen ook op dat gebied steeds meer mogelijk. Zo werkt het Amerikaanse concept The Void aan virtual reality waarbij je samen een andere wereld in stapt en die zelf kan beïnvloeden.

Hoven was een keer in hun lab in Utah. ‘Daar werd ik in een kamertje gezet met grijze wanden. Zodra ik mijn bril op had werden dat blauwe gordijnen, die een stukje opzij schoven, zodat ik het verleden in kon stappen, de wereld in van de Azteken. Met rechts een rotsblok waarop ik kon zitten, er was zonlicht en schaduw, en verderop een tempel met een brandende fakkel aan de muur bij de ingang. Ik kon die fakkel pakken en de vlam reageerde op mijn bewegingen. Binnen kon ik er de muren mee verlichten, en dat alles totaal realistisch.’ Dat klinkt toch heel bijzonder. Dat je straks zo in een andere eeuw en wereld kan rondstruinen, terwijl je feitelijk in een saaie loods op een industrieterrein schuifelt.

Waar zou ik dan naartoe willen? O ja! Met het hele gezin naar die klimduin bij Kraantje Lek in 1761.
 

www.thevoid.com

Met dank aan Henrik Reeh en Martin Zerlang van de Universiteit van Kopenhagen

Meer pretparken