De Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ), die onder andere politieaangiftes analyseert met kenmerken van ritueel misbruik, heeft zich bemoeid met de zorgstandaard Dissociatieve Stoornissen. Dat blijkt uit een brandbrief in handen van Argos.

De briefschrijvers wilden dat de zorgstandaard niet werd geautoriseerd, mede vanwege de standpunten over ritueel misbruik. Betrokkenen bij de zorgstandaard waren ‘verbluft door de coup van buitenaf’. GroenLinks, PvdA en SP willen een onafhankelijk onderzoek naar het functioneren van de LEBZ.

Brandbrief

Na bijna twee jaar overleggen door een werkgroep van zeventien afgevaardigden was de zorgstandaard Dissociatieve Stoornissen eindelijk af. 97 pagina’s over de oorzaak, diagnostiek en behandelingen, en daarnaast waren ook nog eens onderliggende ‘evidence based richtlijnontwikkeling-modules’ geschreven (EBRO-modules). Het commentaar van de adviesgroep van nog eens dertien personen was verwerkt, evenals alle commentaren van de beroepsverenigingen die zich bezighouden met dissociatieve stoornissen. Het proces werd geleid door het Trimbos-instituut, in opdracht van het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGZ.

De betrokkenen waren opgelucht, want de patiënten met een dissociatieve stoornis, voor wie deze zorgstandaard is bedoeld, worstelen met zeer ernstige klachten en symptomen. Zelfs behandelaars zitten soms met de handen in het haar. Er zijn slechts enkele plaatsen in Nederland waar behandelexpertise aanwezig is, en die kampen allen met jarenlange wachtlijsten. 

En toen was daar op 7 december 2017 ineens een brandbrief, gestuurd aan alle beroepsverenigingen die waren gevraagd deze zorgstandaard te autoriseren. De ondertekenaars van de brief, naar eigen zeggen ‘een brede groep van collega’s uit het klinische veld, de wetenschap en de LEBZ (Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken)’, verzoeken ‘de Zorgstandaard Dissociatieve Stoornissen in de huidige vorm niet te autoriseren. Wij zijn van mening dat deze niet gepubliceerd dient te worden.’

De schrijvers van de brandbrief wijzen erop dat in de zorgstandaard Dissociatieve Stoornissen ‘evenmin aandacht wordt besteed aan de (inter)nationale discussie over de validiteit van de diagnose DIS’ en verwijzen ter onderbouwing naar een interview met een zogenaamde ‘retractor’ (iemand die eerst zei slachtoffer te zijn van ritueel misbruik, en daarna haar verhaal heeft teruggetrokken), geschreven door de twee coördinatoren van de LEBZ. Ook stellen ze: ‘De standpunten over ritueel misbruik in de EBRO-(evidence based richtlijn ontwikkeling, red.) behandeling zijn bovendien strijdig met de conclusies van de al in 1994 door de overheid ingestelde Werkgroep Ritueel Misbruik.

In reactie op vragen van Argos laat een woordvoerder van de politie weten, dat de LEBZ zich hiervoor baseert op artikelen van de coördinatoren van de LEBZ zelf. Daarin schrijven zij: ‘Iemand ten onrechte in de veronderstelling laten of brengen een verleden van seksueel dan wel ritueel misbruik te hebben, vinden wij pas echt traumatiserend.’

Wat is een zorgstandaard?

Een zorgstandaard wordt opgesteld door een werkgroep met deskundigen die zijn afgevaardigd door beroepsverenigingen, patiëntenverenigingen en de zorgverzekeraars, en beschrijft vanuit het patiëntenperspectief wat goede zorg is voor een bepaalde psychische aandoening. 

De zorgstandaard Dissociatieve stoornissen richt zich op dissociatieve stoornissen zoals omschreven in de DSM-5. Dissociatieve symptomen (met name depersonalisatie) komen ook bij veel andere stoornissen voor. Daarop richt de zorgstandaard zich niet. Dissociatieve Identiteitsstoornis stond voorheen bekend als Meervoudig Persoonlijkheidssyndroom.
DIS hangt samen met ernstige  traumatische ervaringen in de vroege kindertijd

De Werkgroep Ritueel Misbruik concludeert niet dat ritueel misbruik is aangepraat

Klik op 'open' voor meer informatie

In 1993 besloot de staatssecretaris van Justitie om een werkgroep in te stellen om ritueel misbruik te definiëren, het probleem in kaart te brengen, het onderzoeken welke problemen zich voordoen bij het doen van aangifte, en het zonodig formuleren van voorstellen van nader onderzoek. Dit gebeurde na meldingen van ritueel misbruik bij de Inspectie van Jeugdbescherming en het ministerie VWS in 1992, en toenemende belangstelling voor ritueel misbruik door tv-uitzendingen van NOVA.

In april 1994 publiceerde de Werkgroep Ritueel Misbruik een rapport. De Werkgroep concludeert niet dat DIS en ritueel misbruik worden aangepraat. In de aanbevelingen staat:

De werkgroep is -mede gelet op de beperkte tijd die ter beschikking stond - niet in staat geweest om op systematische wijze alle gevallen van vermoedens van ritueel misbruik welke in de hulpverlening, dan wel bij justitiële instanties bekend zijn gedetailleerd te onderzoeken. Hierbij gaat het zowel om kinderen rond wie een dergelijk vermoeden bestaat als om volwassenen die zeggen als kind slachtoffer van ritueel misbruik te zijn geweest. Daardoor ontbreekt vooralsnog het inzicht in de achtergronden en kenmerken van vermeende slachtoffers, in de wijze waarop het vermoeden is ontstaan, alsmede dat wat er door diverse instanties met het vermoeden gedaan is en wat het effect daarvan was. Zo is bijvoorbeeld onvoldoende duidelijk in welke mate vermeende slachtoffers van ritueel misbruik als kind slachtoffer zijn geweest van andere traumatische gebeurtenissen en in hoeverre dit laatste mogelijkerwijs een rol speelt bij het ontstaan van een verhaal over ritueel misbruik. Evenmin is duidelijk hoe binnen een hulpverleningsproces het verhaal over ritueel misbruik ontstaat en wat in het ontstaan daarvan respectievelijk het aandeel is van de cliënt en de hulpverlener De Werkgroep is zich er terdege van bewust dat zij over deze zaken het laatste woord niet gesproken heeft. Zij beveelt aan dat er onderzoek verricht wordt om in deze kwesties meer klaarheid te brengen en aldus te bevorderen dat het debat over ritueel misbruik een meer empirische basis wordt gegeven. Zulks is van groot belang voor de betreffende cliënten en hulpverleners daar het bevordert, dat op een evenwichtige wijze met deze problematiek wordt omgegaan.

De werkgroep adviseert ook: Het werk van de Werkgroep zou als het ware gedurende een bepaalde periode moeten worden voortgezet, zodat het mogelijk is de noodzakelijke verbindingen te leggen tussen de verhalen van slachtoffers en het daadwerkelijk verrichten van onderzoek door vertrouwensartsen, de Raad voor de Kinderbescherming en politie en justitie.

Lees hier het volledige rapport van de werkgroep ritueel misbruik.

'De LEBZ is uitgenodigd'

Een woordvoerder van de politie laat aan Argos weten dat de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken op 31 mei 2017 door het Trimbos Instituut (verantwoordelijk voor het opstellen van de zorgstandaard, red.) is uitgenodigd om de concepttekst van de zorgstandaard Dissociatieve Stoornissen te becommentariëren. ‘Het verzoek van het Trimbos Instituut is op 6 en 7 juni 2017 door de coördinatoren van de LEBZ doorgestuurd naar de leden en oud-leden van de LEBZ, met de vraag zelfstandig te reageren. […] Tevens hebben de coördinatoren in die e-mail zelf gereageerd op het concept.’

De brandbrief die vervolgens is gestuurd is ondertekend door 29 personen. Een woordvoerder van de politie noemt het daarom ‘niet de juiste voorstelling van zaken’ dat de LEBZ verantwoordelijk is voor deze brief. ‘Wel is het zo dat meerdere LEBZ-leden zich via de brief aansloten bij de zorgen die binnen de klinische en wetenschappelijke kring bestonden over de concepttekst van de zorgstandaard.’

Door wie is de brandbrief ondertekend?

Klik op 'open' voor meer informatie

De brandbrief om de zorgstandaard niet te autoriseren is ondertekend door:

* Arnoud Arntz, Universiteit van Amsterdam / Klinisch Psycholoog (BIG).
* Arnold van Emmerik, Universiteit van Amsterdam.
* Iva Bicanic, Hoofd Landelijk Psychotraumacentrum UMC Utrecht & landelijk coördinator Centrum Seksueel Geweld (sinds 2020 lid van de LEBZ)
* Paul Boelen, Universiteit Utrecht, Psychotherapeut BIG, GZ-Psycholoog BIG, en Klinisch Psycholoog BIG, en Cognitief Gedragstherapeut VGCT
* Cleo Brand, Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ)
* Karina Dekens, Politieacademie, Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ)
* Iris Engelhard, Universiteit Utrecht.
* Paul van den Eshof, CoördinatorLEBZ-lid 2006-2013) Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ)
* Mark van der Gaag, Amsterdam Public Health research institute, VU Amsterdam
* Lotte Hendriks, Overwaal Expertisecentrum Angst, Dwang & PTSS & Radboud Universiteit Nijmegen
* Robert Horselenberg, Universiteit Maastricht (LEBZ-lid 2014-heden)
* Marcel van den Hout, Universiteit Utrecht (LEBZ-lid 2017-heden)
* Rafaële Huntjens, Rijksuniversiteit Groningen (LEBZ-lid 2013-2020)
* Mirjam Hupperetz, Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ)
* Ad de Jongh, Vrije Universiteit / Universiteit van Amsterdam, Psychotrauma Expertise Centrum (PSYTREC)
* Rik Knipschild, Karakter kinder- en jeugdpsychiatrie, heeft tevens zitting gehad in focusgroep Zorgstandaard dissociatieve stoornissen
* Peter van Koppen, VU Amsterdam en Universiteit Maastricht (LEBZ-lid 1999-2005)
* Harald Merkelbach, Universiteit Maastricht
* Agnes van Minnen, Universiteit Nijmegen en PSYTREC (LEBZ-lid 2018-heden)
* Nicole Nierop, Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ)
* Henry Otgaar, Universiteit Maastricht (LEBZ-lid 2014-heden)
* Fenna Poletiek, Universiteit Leiden (LEBZ-lid 2006-2013)
* Jeroen Raaijmakers, Universiteit van Amsterdam (LEBZ-lid 2012-2018)
* Linsey Raymaekers, Universiteit Maastricht (LEBZ-lid 2014-heden)
* Dr. Marleen Rijkeboer, Universiteit Maastricht
* Maartje Schoorl, Klinisch Psycholoog, Universiteit Leiden,
* Dr. Philip Spinhoven, Universiteit Leiden, Klinisch Psycholoog
* Ineke Wessel, Rijksuniversiteit Groningen (LEBZ-lid 2012-heden)
* Gezinus Wolters, Universiteit Leiden (LEBZ-lid 2004-2014)

Vijf van de ondertekenaars van de brief vermelden dat zij voor de LEBZ werken. Uit een analyse blijkt dat twaalf van de vierentwintig overige ondertekenaars behoren of behoorden tot het expertteam van de LEBZ, en worden ingezet bij het beoordelen van politieaangiftes. Het merendeel van de overige ondertekenaars publiceert samen met LEBZ-experts.

Het Trimbos Instituut, en ook de deelnemers aan de werkgroep die de zorgstandaard hebben opgesteld, ontkennen dat zij de LEBZ uit zichzelf om commentaar hebben gevraagd. Dat zou ook niet logisch zijn, want de zorgstandaard is bedoeld voor de behandeling van patiënten met DIS. De LEBZ heeft daar geen ervaring mee, en doet daar ook geen onderzoek naar.

Uit e-mailwisselingen in handen van Argos blijkt dat het Trimbos de LEBZ in een later stadium een uitnodiging tot commentaar heeft gestuurd. Dit gebeurde echter niet op initiatief van Trimbos, maar nadat zij hierom waren verzocht door een van de LEBZ-experts.  

Het commentaar dat de coördinatoren van de LEBZ hebben ingediend richt zich specifiek op Ritueel Misbruik. Ze schrijven: ‘We vinden het zorgwekkend dat sommige therapeuten onvoldoende onderscheid maken tussen de therapeutische werkelijkheid en de reële werkelijkheid en bovendien voorbijgaan aan het feit dat gedegen onderzoek naar verhalen over ritueel misbruik wereldwijd geen enkele onderbouwing hebben opgeleverd. De Zorgstandaard dissociatieve stoornissen (…) zou een dergelijke houding niet moeten legitimeren.’

Verantwoording

Voor dit onderzoek sprak Argos met vijftien personen die direct betrokken waren bij het opstellen van de zorgstandaard dissociatieve stoornissen, of de kritiek erop. Ook kregen we inzage in de conceptversie van de zorgstandaard die in 2017 is voorgelegd ter autorisatie, de onderliggende EBRO-modules, meerdere e-mailwisselingen en de concept-zorgstandaard die op dit moment voorligt ter autorisatie.

'Ik wil weten of politie, justitie en hulpverlening adequaat zijn ingericht om dit op te sporen en getroffenen bij te staan.'

“Als dit klopt, dan ben ik benieuwd naar de uitleg van de LEBZ en minister Grapperhaus”, zegt GroenLinks-Tweede Kamerlid Niels van den Berge. “Dit roept vragen bij ons op. Bij mijn beste weten is de LEBZ opgericht om aangiftes te beoordelen, niet om mee te denken over zorgverlening aan slachtoffers en overlevers van misbruik.”

Ook Michiel van Nispen (SP) uit zijn zorgen over de vooringenomenheid van de LEBZ. “De grote vraag is: waarom wordt ritueel misbruik niet onderzocht? De afgelopen maanden kreeg ik tientallen berichten van slachtoffers en hulpverleners die stellen dat de vooringenomen houding van de politie en de LEBZ daar een grote rol in speelt. De bemoeienis met de zorgstandaard maakt de vraag of de LEBZ niet vooringenomen is nog groter.”

“De afgelopen tijd hebben mijn collega Lisa Westerveld en ik gesproken met getroffenen van sadistisch seksueel misbruik en met hun hulpverleners”, vertelt Niels van den Berge. “De verhalen die zij met ons deelden, grijpen ons aan. Het laat ons niet los. Ik kan niet beoordelen wat waar is en wat niet. Dat vind ik ook niet mijn rol als Tweede Kamerlid. Maar ik vind het wel zorgelijk dat getroffenen en hun hulpverleners vragen stellen bij hoe politie en justitie omgaan met aangiftes en klachten. Ik wil weten of politie, justitie en hulpverlening adequaat zijn ingericht om dit op te sporen en getroffenen bij te staan. Slachtoffers en overlevers hebben er recht op dat hun aangiftes en leed serieus genomen worden.”

GroenLinks, de SP en ook de PvdA zeggen dat ze de Minister om twee onderzoeken willen vragen: een onderzoek naar georganiseerd sadistisch misbruik, en een onderzoek naar het functioneren van de LEBZ. Michiel van Nispen: “Dit hadden we willen inbrengen in het Algemeen Overleg Zeden dat morgen plaatsvindt. Dat debat is echter vanwege Corona-maatregelen geannuleerd en omgezet in een schriftelijk debat. Daarom zullen we het vanavond aan de orde stellen in het overleg over slachtofferrechten. Daarbij zullen we ook een motie indienen.”

Gespecialiseerd in valse beschuldigingen

Klik op 'open' voor meer informatie

De Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) speelde eerder een rol in de Argos-uitzending van 27 juni over Ritueel Misbruik. Argos ontving honderdveertig verklaringen van georganiseerd seksueel misbruik met rituele kenmerken. Dat is seksueel misbruik, waarbij ook allerlei macabere aspecten een rol spelen. Satanische rituelen bij kaarslicht, martelingen, maar ook het ritueel offeren van baby’s. 

Politieaangiftes met rituele kenmerken worden sinds 1999 voorgelegd aan de LEBZ. Dit was tot 2016 zelfs bij wet verplicht. Op de website van de Politieacademie stond vermeld dat de LEBZ als voornaamste doel heeft om ‘onjuiste beschuldigingen op het gebied van seksueel misbruik te herkennen en daarmee onterecht beschuldigden te beschermen tegen vervolging’. Na de Argos-uitzending is deze zin op verzoek van de LEBZ verwijderd.
In antwoord op Kamervragen zegt Minister Grapperhaus dat dit is gedaan omdat deze omschrijving geen recht doet aan de LEBZ. ‘De LEBZ is een multidisciplinair samengestelde adviesgroep die door de officier van justitie kan worden geconsulteerd om de feiten die door de politie zijn verzameld in een zedenzaak nader te analyseren.

In een presentatie van de LEBZ zelf, in handen van Argos, staat echter opnieuw benoemd dat het doel van de organisatie is om valse beschuldigingen tijdig te onderkennen. Sinds de oprichting in 1999 analyseerde de LEBZ 25 aangiftes met rituele kenmerken. In geen enkel geval leidde een aangifte tot een strafzaak.  

In de aanloop naar het Kamerdebat over Ritueel Misbruik trokken verschillende organisaties aan de bel over het functioneren van de LEBZ.

Caleidoscoop, de landelijke vereniging voor mensen met een dissociatieve stoornis, stelt – in een brief die ook door andere organisaties is ondertekend – dat ‘onafhankelijke onderzoeken noodzakelijk zijn naar ritueel misbruik in Nederland en de werkwijze van de LEBZ’. Als toelichting op de brief heeft Caleidoscoop 24 ervaringsverhalen verzameld rondom het doen van aangifte van georganiseerd misbruik.

Lees hier het verhaal van Michelle

Klik op 'open' voor meer informatie

Tussen de jaren ’80 en de zero’s ben ik het slachtoffer geweest van seksueel misbruik, fysieke en geestelijke mishandeling binnen en buiten het gezin. Hierbij was sprake van het maken van kinderporno, kinderprostitutie en bijeenkomsten met rituele kenmerken. In 200X ben ik uit het ouderlijk huis gevlucht. Mijn ouders en broer, meer familieleden, maar ook de huisarts en kerkleiders (ouderlingen en diakenen uit een gereformeerde kerk) onder wie een man die in het dagelijks leven politieagent was en een gemeente-ambtenaar waren direct betrokken bij dit misbruik in een groep met een satanische ideologie. Deze groep had veel niveaus en was niet alleen lokaal maar ook landelijk en internationaal actief in de Benelux. 

Op dit moment ben ik in de dertig, en ben ik sinds 1,5 jaar voor het eerst van mijn leven veilig. Dat wil zeggen: mijn familie en de groep lijken mijn huidige adres niet te hebben sinds het laatste lijntje met iemand uit die tijd verbroken is. Digitaal word ik soms nog lastiggevallen. Ik heb geen aangifte gedaan. Dat heeft meerdere redenen:

  • Ten eerste heb ik gezien de betrokkenheid van mensen uit alle justitiële lagen, die burgers zouden moeten beschermen géén vertrouwen in een eerlijk proces.
  • Ten tweede weet ik dat een aangifte vanwege de omvang eerst naar de LEBZ zou gaan. Daar ketsen veel zaken op af. Hun standpunt over zaken met rituele kenmerken is erg sceptisch en hun houding ervaar ik als argwanend, wantrouwend en op z’n minst onveilig.
  • Ten derde zongen ze altijd een liedje: “wat je ziet is niet echt en wat je hoort dat gebeurt niet”. Ze deden niet alleen gruwelijke dingen, maar ze zetten ook dingen in scène. Dan werd je ergens heen gebracht, zodat je dacht dat het daar gebeurde, maar daar werd je vervolgens gedrogeerd naar een andere plek gebracht. Een getuigenis over wat op welke locatie gebeurde, en wat écht gebeurde of in scène werd gezet (zoals een moord) kan op zo’n manier nooit betrouwbaar zijn! Dat durf ik niet aan, ik sta er niet voor in dat wat ik zeg na te trekken is! Daar zorgen ze wel voor!
  • Ten vierde ben ik bang om opnieuw achtervolgd en gestraft te worden door de groep. Als kind werden er rollenspellen met ons gespeeld, waarbij ik bij “de politie” kwam. Ik kreeg de opdracht van iemand om te vertellen over het bestaan van de groep. Dan werd ik door “politiemannen”  mishandeld, maar ook door mensen die eruit zagen als dokters en ambulancepersoneel. Dan werd er gezegd “kijk, dit gebeurt er als je praat. Ze geloven je niet en ze worden heel boos!” De hoge mensen in de groep zeiden ook dat zij altijd wisten waar ik was, dat hun camera’s mij overal volgden, en als ze hoorden dat ik praatte, zouden ze me afmaken. Ik weet nú dat dát niet waar is! Maar er is over artsen en politie nog vaak veel verwarring in mijn hoofd. Ook omdat er echte dokters en echte politiemannen bij waren, die zeg maar in hun gewone leven ook dat werk deden. 

Wat ik met lood in mijn schoenen wél gedaan heb, is een aanvraag bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Ik wilde erkenning, alleen maar dat: kunnen aantonen dat neutrale deskundigen geconcludeerd hebben dat ik het niet verzin. Doodeng, want ook juristen hoeven niet betrouwbaar te zijn... maar in ieder geval zat het LEBZ hier niet tussen.

Ik heb bij mijn aanvraag enkel de rituele kenmerken weggelaten uit angst daarover niet geloofd te worden en gek genoeg was ik door dat weg te laten iets minder bang voor represailles. Ik had genoeg steunend bewijs in de vorm van medische dossiers. Mijn aanvraag is erkend na een proces van ruim 7 maanden en ingedeeld in de op één na hoogste categorie. Deze erkenning is bijzonder helend voor mij geweest.

Als ik zéker wist dat het veilig kon, zou ik aangifte willen doen. Niet voor mijzelf, maar voor de kinderen en de volwassenen die nu slachtoffer zijn. Ik voel me schuldig dat ik niet bijdraag aan een oplossing terwijl ik zó veel weet. En tegelijkertijd weet ik dat onze zogenaamde “rechtstaat” de oplossing niet is... hierom vind ik een onafhankelijk onderzoek naar ritueel misbruik én de rol van de LEBZ belangrijk: het herstel van de rechtstaat, de bevrijding van huidige slachtoffers en de erkenning van alle overlevenden die nu worden weggezet als leugenaars en hun omstanders als complotdenkers.

Ook zeven behandelaars van cliënten die vertellen over Ritueel Misbruik schreven een brief aan de Tweede Kamer. Zij ‘verzoeken tot grondige revisie dan wel opheffing van de LEBZ’.

Lees hier over de brief van de hulpverleners

Klik op 'open' voor meer informatie

In de brief leggen de behandelaars uit hoe groot de impact van de LEBZ is op het (niet) doen van aangifte door hun cliënten. Daarbij maken ze een vergelijking: stel dat u uit uw auto wordt getrokken bij een gewelddadige autodiefstal, en daarbij een dwarslaesie oploopt. ‘Zou u veel vertrouwen hebben in het recht, als uw aangifte langs een commissie van ‘deskundigen’ gaat waarvan verreweg het grootste deel niet gelooft in het bestaan van autodieven, en bovendien van mening is (en daarover publiceert) dat mensen met een dwarslaesie niet in de gaten hebben dat ze hun klachten zelf creëren dan wel dat hun arts ze een dwarslaesie heeft aangepraat? Dit is hoe het ervoor staat met de LEBZ.’

Hierbij staan de autodieven voor ‘ritueel misbruik’, en de dwarslaesie is symbool voor de houding van de LEBZ-experts ten opzichte van DIS. De briefschrijvers verwijzen ook naar een uitspraak van Paul van den Eshof, voormalig coördinator van de LEBZ Paul van den Eshof, in EMDR-magazine (2016): ‘Ritueel misbruik is vooral een internationale mediahype uit de jaren negentig.’

Ook schrijven de hulpverleners: ‘De grote Duitse zedenzaak die nu loopt, laat zien dat hoe meer er wordt gezocht, hoe meer er wordt gevonden. Het feit dat een eenvoudige oproep (in Nederland) 140 reacties uit het land geeft van slachtoffers die spreken over ritueel misbruik/sadistisch kindermisbruik, zegt al genoeg. Daarbij het feit dat Nederland bekend staat als grote digitale verspreider van kinderporno zou alle reden moeten zijn voor de politie om de Duitse politie na te volgen. Het is, met deze gegevens in het achterhoofd, heel erg onwaarschijnlijk dat georganiseerd pedoseksueel geweld, al of niet in context van ritueel misbruik, stopt bij de grens. Het argument van Grapperhaus, dat er maar drie aangiftes van ritueel misbruik gedaan zijn in de afgelopen zeven jaar is dan ook juist een dringende reden om wel actiever op zoek te gaan, in plaats van een argument om niet te onderzoeken.’

De commissie van Justitie en Veiligheid heeft in de procedurevergadering van 9 september besloten dat zij wensen dat minister Grapperhaus een reactie geeft op deze brief.

Argos sprak de afgelopen maanden met vijftien personen die betrokken waren bij het opstellen van de zorgstandaard voor Dissociatieve Stoornissen. In die gesprekken is naar voren gebracht dat deze zorgstandaard tot stand is gekomen zoals alle zorgstandaarden: er is een werkgroep ingesteld met deskundigen die zijn afgevaardigd door beroepsverenigingen, patiëntenverenigingen en zorgverzekeraars. Medewerkers van Trimbos waren betrokken bij het schrijven van Evidence Based Richtlijnontwikkelings-modules, die dienden als wetenschappelijke onderleggers voor de zorgstandaard.

De concepttekst werd voorgelegd aan een adviesgroep, waarna de aangescherpte versie naar de beroepsorganisaties is gestuurd om voor te leggen aan hun achterban. Dit commentaar is door de werkgroep verwerkt, waarna de beroepsorganisaties, patiëntenorganisaties en zorgverzekeraars het verzoek kregen om de zorgstandaard te autoriseren.

Dat was het moment waarop de brandbrief werd verstuurd. De LEBZ werd op 30 november 2017 benaderd door prof. Marcel van den Hout (tevens lid van de LEBZ), Arnout Arntz, Marleen Rijkeboer en Rafaele Huntjens (eveneens lid van de LEBZ) met het verzoek om de brief te ondertekenen. Huntjens zat ook (als afgevaardigde van de Nederlandstalige Vereniging voor Psychotrauma) in de werkgroep die de zorgstandaard opstelde, maar kwam in de eindfase ineens niet meer op vergaderingen.

‘Ik vond het ongewenst dat een mijns inziens wetenschappelijk inferieure en klinisch potentieel schadelijke zorgstandaard zou worden geautoriseerd’, schrijft initiatiefnemer Marcel van den Hout in reactie op vragen van Argos. ‘Ik meende dat de wetenschappelijke kwaliteit van het concept van de zorgstandaard benedenmaats was, en ik was (en ben) bezorgd over de iatrogene effecten (het aanpraten van DIS, red.) van de voorgestelde behandeling’.

Download

hier de brandbrief over de zorgstandaard Dissociatieve Stoornissen.

Lees hier de uitleg van Marcel van den Hout

Klik op 'open' voor meer informatie

Er zijn duizenden meiden die menen dat ze moddervet zijn terwijl anderen menen dat ze graatmager zijn (anorexia). Er zijn veel Nederlanders die denken dat ze als mens mislukt en het leven onwaardig zijn en de dood verdienen (depressie), en ook zijn er, opgeteld, veel mensen die vinden dat je door gebruik van openbaar toilet AIDS kunt oplopen (smetvrees). Anderen horen stemmen terwijl er niemand spreekt (psychoses) en nog weer anderen ervaren dat ze niet één persoon zijn, maar bestaan uit verschillende personen (DIS). Ik twijfel geen moment aan de integriteit van de zelfrapportage van deze mensen: de anorectische patiënte vindt zichzelf echt te dik, de depressieve patiënt minacht zichzelf en de psychotische patient jokt niet als hij zegt dat hij stemmen hoort. De ervaringen dienen hoogst serieus genomen te worden. Maar dat impliceert niet dat ik, als clinicus, de waarheidsgetrouwheid van die ervaring onderschrijf. Als het gaat om eeststoornissen, smetvrees, depressies enzovoorts ken ik geen collega's die geheel meegaan in de zelfbeleving van de patiënt, en die bij anorexia opperen dat er best nog wat kilootjes afkunnen, dat smetvreespatiënten erg op moet passen met openbare toiletten omdat je er HIV kunt oplopen, dat stemmen van psychotische mensen afkomstig kunnen zijn van de CIA enzovoorts. Behandelaars die zich zo zouden opstellen zouden de problemen al snel kunnen verergeren. 

DIS is geloof ik de enige stoornis waarbij (groepjes; het zijn er niet zoveel) clinici niet alleen de psychiatrische ervaring serieus nemen, maar ook de waarheidsgetrouwheid ervan onderschrijven. Ik was bezorgd dat deze attitude teveel doorklonk in de behandeling die werd voorgestaan in de zorgstandaard en dat dit de DIS-problemen kan versterken. 

Achteraf gezien hebben we te weinig rekening gehouden met de tegenkrachten in de maatschappij, zeggen betrokkenen bij de zorgstandaard. Hoewel de werkgroep uit deskundigen, afgevaardigd door de beroepsverenigingen bestond, was er bewust besloten om geen ‘non-believers’ in DIS uit te nodigen. De gedachte erachter: ‘De non-believers behandelen geen dissociatieve stoornissen (ze “geloven” er immers niet in “dat het bestaat”) daarom zou het vreemd zijn dat zij een zorgstandaard schrijven voor iets wat ze niet behandelen en waar ze ook geen expertise over hebben.’

De faciliterende organisaties Trimbos en NKO deelden deze visie. DIS is een stoornis die in de DSM-5 staat, hét handboek voor van psychiatrische aandoeningen, en die volgens de richtlijnen van internationale organisaties (zoals de International Society for the Study of Trauma and Dissociation en de European Society for Trauma and Dissociation) wordt veroorzaakt door vroegkinderlijk trauma. Na bestudering van onderzoeken bleek dat er evidentie is voor de hypothese dat DIS door trauma is veroorzaakt, terwijl er geen evidentie is voor het sociocognitieve model (het idee dat DIS is aangepraat). De onderzoeken die daar aanwijzingen voor bevatten, zijn niet uitgevoerd op patiënten met DIS. Met deze boodschap is ook gereageerd op het toegestuurde commentaar.

Onderzoek: DIS veroorzaakt door trauma

In het gezaghebbende British Journal of Psychiatry (BJP) is op 7 oktober 2020 een Editorial over DIS verschenen van de Nederlandse wetenschappers dr. Simone Reinders (King’s College London) en prof. dr. Dick Veltman (UMC/VUMC). Reinders en Veltman maken daarin korte metten met de opvatting dat DIS wordt aangepraat (het ‘sociocognitief model’, door hun het ‘Fantasy Model’ genoemd). Zij betogen dat (recent) neurowetenschappelijk onderzoek aantoont dat DIS wordt veroorzaakt door vroegkinderlijk ernstig trauma.

Natuurlijk zijn er nuanceringen te maken. Zo wijzen verschillende leden van de werkgroep erop dat er een groep patiënten is die meent dat de diagnose DIS op hen van toepassing is, terwijl dit aantoonbaar niet zo is. Dat wordt in de psychiatrie een ‘nagebootste stoornis’ genoemd en verschilt op belangrijke punten van echte DIS.

Ook is er inderdaad geen onderzoek op basis van randomized controlled trials naar DIS-behandelingen. Het hoogste ideaal, qua wetenschappelijke onderbouwing. Maar daar was iedereen binnen de werkgroep van doordrongen, dat is niet nieuws. Je kunt bij deze zwaar getraumatiseerde patiëntengroepen niet werken met een controlegroep die je jarenlang therapie ontzegt. Ook is er bij patiënten sprake van comorbiditeit – dus ze hebben naast DIS nog andere problemen, zoals PTSS, eetstoornissen, depressie, verslavingen, automutilatie of suïcidaliteit. Daarom is gebruik gemaakt van cohortstudies (waarbij mensen lange tijd zijn gevolgd).

Niemand binnen we de werkgroep had de brandbrief zien aankomen. ‘Zoiets is nog nooit voorgekomen’, aldus verschillende betrokken. ‘Dit was echt een coup.’ Een deel van de beroepsorganisaties had de zorgstandaard zelfs al geautoriseerd, toen de bewuste brief binnenkwam.

'Dit was echt een coup'

Autorisatieproces gestopt

Uit e-mailwisselingen in handen van Argos blijkt dat het autorisatieproces na de brandbrief is stopgezet. Verschillende beroepsorganisaties adviseerden om draagvlak voor de zorgstandaard te vergroten, omdat patiënten niet gebaat zijn bij een zorgstandaard die ter discussie staat. Meerdere betrokkenen uiten hun frustraties bij de koepelorganisatie die het proces faciliteert. Willen ze echt toelaten dat briefschrijvers die niet met deze patiëntengroep werken en er (op een na) ook geen onderzoek naar doen, en ook nooit hebben gedaan, een veto uitspreken? En die daarbij ook nog eens louter onderzoeken aanhalen die van toepassing zijn op dissociatieve symptomen, in plaats van op de stoornis DIS?

Desalniettemin werd besloten om met een nieuwe werkgroep een nieuwe versie van de zorgstandaard op te gaan stellen. Dit proces ging eind 2018 van start onder begeleiding van AKWA GGZ. Op dit moment is de zorgstandaard Dissociatieve Stoornissen opnieuw in de autorisatiefase. Trauma wordt genoemd als ‘hoofdoorzaak’ van DIS, maar ook het socio-cognitieve model wordt benoemd, hoewel daar dus geen wetenschappelijke evidentie voor is. De patiëntenorganisaties nemen daar dan ook expliciet afstand van.

Lees hier concept-zorgstandaard die nu voorligt ter autorisatie

Volgens de DSM-5 vormen dissociatieve stoornissen (en met name DIS) “vaak de nasleep van een psychotrauma” en affectieve verwaarlozing. Volgens dit traumaperspectief is de dissociatieve problematiek ontstaan doordat de patiënt als kind chronisch vroegkinderlijke mishandeling, misbruik en/of verwaarlozing heeft moeten overleven. Door dissociatie kan de patiënt nare gevoelens die naar boven komen door een traumatische ervaring wegdrukken en eraan ontsnappen. Het kan beschouwd worden als een vorm van afweer dat iemand in staat stelt extreme angst of stress te verdragen.

Op basis van een inventarisatie van de websites van de grote ggz-instellingen in Nederland bestaat de indruk dat de meeste behandelaars binnen de georganiseerde ggz vanuit deze visie werken. Zij zien chronische vroegkinderlijke interpersoonlijke traumatisering als belangrijkste oorzaak voor het ontstaan van DIS, vandaar dat deze visie het traumaperspectief wordt genoemd. Ook de (internationale) ISSTD-richtlijnen gaan uit van dit traumaperspectief.

Het sociocognitieve verklaringsmodel gaat ervan uit dat patiënten gaan geloven dat zij uit meerdere identiteiten bestaan onder invloed van media-invloed (o.a. films en boeken), suggestieve technieken (o.a. herhaald bevraagd worden over “delen” van de persoonlijkheid. Het geven van persoonsnamen aan gemoedstoestanden), slaapproblemen, en bredere socioculturele verwachtingen, waarin DIS wordt gezien als een geaccepteerde manier om psychische problemen te uiten. Het sociocognitieve model betwijfelt dat er een directe causale relatie tussen trauma en DIS bestaat. Patiënten die zich aanmelden met klachten waaronder emotionele instabiliteit, identiteitsproblemen, en impulsief gedrag, gaan volgens dit perspectief hun gedrag, gevoelens en cognitieve problemen begrijpen binnen een model van meervoudige identiteiten.

De patiëntvertegenwoordigers van de werkgroep erkennen het sociocognitieve perspectief als verklaringsmodel voor hun klachten niet. Ze vrezen dat behandelaren die vanuit dit model werken de problemen, klachten en symptomen van de patiënt niet serieus nemen, omdat dit model veronderstelt dat de klachten zijn aangepraat door andere behandelaren of door media-invloed, door slaapproblemen of bredere sociaal- culturele verwachtingen. Ook is de ervaring van patiënten dat sommige behandelaren vinden dat de patiënt ervaren trauma’s erger maken dan ze zouden zijn geweest; terwijl patiënten zelf soms jaren nodig hadden om negatieve gebeurtenissen die ze hebben meegemaakt niet te bagatelliseren. […] De patiëntvertegenwoordigers van de werkgroep onderschrijven het traumaperspectief wel.

In de nieuwe zorgstandaard staat dat de werkgroep die heeft geschreven volgens het ‘to agree to disagree-principe’. Betrokkenen vertellen dat ze hebben gekozen voor een compromis-oplossing, omdat ze het beter achtten om een zorgstandaard te hebben, dan om er geen te hebben. Daarin zijn er ook behandelvormen aan de nieuwe zorgstandaard toegevoegd die helpend zijn bij het fenomeen dissociatie, wat bij andere psychische stoornissen voor kan komen zoals persoonlijkheidsproblematiek of PTSS. Een deel van de brandbriefschrijvers behandelt volgens deze methoden. Het is niet wetenschappelijk onderzocht of deze behandelingen ook werken bij patiënten met DIS.  

Is het zoeken naar draagvlak ten koste gegaan van de inhoud van de zorgstandaard Dissociatieve Stoornissen? AKWA GGZ – verantwoordelijk voor deze nieuwe versie – wil hier niet op ingaan. ‘AKWA GGZ gaat niet over de inhoud van een zorgstandaard, wij vervullen een faciliterende rol. De verantwoordelijkheid voor de inhoud ligt volledig bij de beroeps-, branche- en patiëntenverenigingen.’ Betrokkenen bij de zorgstandaard, en ook AKWA GGZ benadrukken dat het voor de patiënten en hulpverleners belangrijk is dat de zorgstandaard er nu komt. ‘De ontwikkeling van deze standaard zit in de laatste fase van het proces’, bevestigt de woordvoerder van AKWA GGZ. ‘Ik hoop van harte dat het onderzoek van Argos niet leidt tot een verstoring van dit proces.’

Objectief oordeel?

Waarom mengt een Expertisegroep die politieaangiftes beoordeelt zich in de zorg die patiënten met DIS te krijgen? Was de Korpsleiding van de politie hiervan op de hoogte? En kan een Expertisegroep die dusdanig expliciet stelling neemt in het debat over DIS en Ritueel Misbruik wel objectief oordelen over aangiftes met rituele kenmerken, of van mensen met DIS?

Op deze vragen krijgen we geen antwoord. Wel laat een woordvoerder namens de politie weten: ‘Het spreekt voor zich dat ook de LEBZ het belangrijk vindt dat mensen met (vroegkinderlijk) trauma goede behandeling krijgen waar zij (structureel) baat bij hebben. Het therapeutisch kader en het strafrechtelijk kader verschillen echter wezenlijk van elkaar. Binnen (trauma)behandeling is de therapeutische werkelijkheid, de ervaring van de client doorgaans leidend. Deze hoeft niet overeen te komen met de objectieve werkelijkheid. Voor politie en justitie is die objectieve werkelijkheid juist leidend. Voor gedegen opsporingsonderzoek en een beslissing tot vervolging zijn feiten, objectieve ondersteuning voor verklaringen en verificatie en falsificatie van informatie onontbeerlijk. Dit zijn dan ook elementen waar de LEBZ bij haar analyses aandacht voor heeft.

‘Aangiftes van seksueel geweld, door slachtoffers, worden door de politie zeer serieus genomen’, reageert Marcel van den Hout. ‘Mensen in uw uitzending, en ook elders, meldden extreem ernstig seksueel geweld. Het doen van aangifte moet met klem aangeraden worden. Ik weet 100% zeker dat wanneer er een aangifte van Ritueel Misbruik bij de LEBZ zou komen en er lijken mogelijkheden om bewijs te vinden die de aangifte kan ondersteunen, dat de LEBZ met de allergrootste klem zou adviseren die mogelijkheden te onderzoeken. Als aangeefster (zoals in uw eerdere uitzending) getuigt wat de plaats delict is, dan is de politie er als de kippen bij om daarheen te gaan. En als de politie dat nog niet heeft gedaan voordat  het OM de zaak voorlegt aan de LEBZ dan zal de LEBZ adviseren dat zo snel mogelijk te doen.’

Dit artikel is onderdeel van het dossier georganiseerd seksueel misbruik. Het afgelopen jaar verzamelde Argos de ervaringen van meer dan tweehonderd slachtoffers. Honderdveertig van hen vertelden over geritualiseerd geweld.