De Vietnamese jongens Hieu en Quyen kwamen om bij het smokkeldrama in Essex. Tijdens hun laatste reis stonden ze tot in België onder observatie van de Nederlandse politie, maar die greep niet in. Dit had wel gemoeten, zeggen twee hoogleraren.

Volgens emeritus hoogleraar strafrecht Theo de Roos en hoogleraar mensenhandel Conny Rijken had het zogeheten doorlaatverbod moeten gelden. De politie had moeten ingrijpen. De hoogleraren vinden dat de handelwijze van politie en Openbaar Ministerie tot de bodem moet worden uitgezocht, zeggen ze tegen Argos.

De Vietnamese jongens Hieu en Quyen stierven in oktober 2019 in het Essex-drama. In totaal kwamen 39 Vietnamezen om het leven in een koelwagen tijdens een smokkelpoging van België naar Engeland. Hieu en Quyen zaten kort daarvoor nog in een beschermde opvang in Nederland, nadat ze in mei 2019 als minderjarigen ook al een keer met dertien anderen uit een vrachtwagen waren gehaald. De omstandigheden in die vrachtwagen waren volgens het OM levensbedreigend. Ook deze truck was op weg naar Engeland.

Hieu had hierna zelfs geprobeerd aangifte te doen van mensenhandel, wat echter door de politie werd omgezet naar het ‘lichtere’ mensensmokkel. De aangifte is bijzonder, want Vietnamese slachtoffers van mensensmokkel en mensenhandel laten doorgaans weinig los. Beiden gaven aan dat ze niet weg wilden uit Nederland.

Verdwijning

De twee jongens verdwenen uiteindelijk op 11 oktober 2019 toch uit Nederland. Ze stapten in een Belgische taxi. Wat niemand op dat moment wist is dat de jongens onder observatie stonden. De politie volgde de taxi zelfs naar een adres in Anderlecht, Brussel. Maar daar bleef het bij. Hoewel de politie de autoriteiten in België op de hoogte stelde, greep de Belgische politie niet in.

‘Die jongeren werden simpelweg vergeten’, zegt Ben Segers van de sociaaldemocratische regeringspartij SPA tegen Argos. Hij volgt de ontwikkelingen op de voet. ‘Het minste dat ik nu wil is dat we hier nu lessen uit trekken, dat we het in de toekomst beter doen. Dat zijn we ook verplicht aan de Essex-slachtoffers.’  

Doorlaatverbod

Het is volgens hoogleraar strafrecht De Roos voorstelbaar dat de politie dacht een crimineel netwerk in beeld te krijgen door de jongens te volgen en niet meteen in te grijpen. Maar toch mag het niet, op basis van het zogeheten doorlaatverbod, zegt de De Roos. 

Dit doorlaatverbod, artikel 126ff uit het Wetboek van Strafvordering, is ingevoerd na de IRT-affaire. Toen werden onder regie van politie en justitie grote hoeveelheden verdovende middelen doorgelaten, in de hoop drugsnetwerken op te rollen. Na een parlementaire enquête werd dat verboden. Omdat mensen nog waardevoller en kwetsbaarder zijn dan drugs, besloot de Tweede Kamer dat het doorlaatverbod ook moet gelden bij mensensmokkel en bij mensenhandel.

Volgens De Roos ging het in het geval van Hieu en Quyen om mensenlevens. ‘Dat kun je van tevoren ook al incalculeren, want het zijn geen erg vreedzame mensen die achter die organisatie zitten en een mensenleven meer of minder dat interesseert ze niet. Dus met andere woorden: het doorlaatverbod in dit geval is bijna absoluut.’

Hoogleraar mensenhandel Rijken spreekt van een ‘constante afweging’ tussen risico's voor de slachtoffers, in dit geval minderjarigen, en het opsporingsbelang. ‘En hier lijkt die afweging niet goed gemaakt.’

Onderzoek

Beide hoogleraren pleiten voor nader onderzoek. De Roos vindt dat ‘tot de bodem’ moet worden uitgezocht ‘wat er is misgegaan in deze zaak’ en ‘wat algemener: wat zijn de grenzen van de middelen die worden ingezet in de bestrijding van mensenhandel’.                                     

Ook Rijken zegt dat een grondige evaluatie van deze casus op zijn plaats zou zijn. En dat zowel de Nederlandse als de Belgische politie ‘verantwoordelijkheid nemen voor hun handelen’.

Een woordvoerder van het Openbaar Ministerie laat in een reactie weten dat het doorlaatverbod volgens het OM niet gold. ‘Het doorlaatverbod was niet aan de orde, omdat er geen verdenking was van mensenhandel of een ander een strafbaar feit, laat staan van het doorlaten van personen. De jongens zijn gevolgd met het doel zicht te krijgen op hun bestemming. De opvang waar zij verbleven was een beschermde opvang, niet gesloten. Zij mochten gewoon naar buiten.’

Onbevredigend

Volgens hoogleraar De Roos is dit een onbevredigende toelichting. ‘Het OM mag geen observatieteam inzetten als er geen enkele verdenking van een strafbaar feit is. Bovendien waren er in deze casus allerlei signalen van mensenhandel.’