Nicolaas op oorlogspad

4. Houdt het dan nooit op

Nicolaas op oorlogspad

4. Houdt het dan nooit op

Op 4 mei is Nicolaas altijd twee minuten stil. Maar hij vraagt zich af waaraan hij precies moet denken. De Tweede Wereldoorlog heeft diepe wonden geslagen. Nicolaas onderzoekt in het slotstuk van de serie in hoeverre die al geheeld zijn. Hij ontmoet Nederlanders die nog steeds geraakt zijn door de oorlog.

Het trauma van de oorlog lijkt te worden doorgegeven. Concertpianist Iris Hond is dertig en heeft van kinds af aan al nachtmerries over Duitsers die op de deuren kloppen om haar en haar familie mee te nemen. Nicolaas mag bij een therapiesessie zijn in het Sinai Centrum waar jongeren worstelen met de naweeën van de Holocaust. Terwijl de wond daar nog verzorgd wordt, strijdt antifascist Arthur Graaff overal waar hij kan tegen het neonazisme en gaat daarin heel ver.

Is de oorlog eigenlijk wel voorbij? 

Hoe kom je aan een trauma van een oorlog die je niet hebt meegemaakt?

geschreven door Susanne Evers

Ruim zeventig jaar na de Tweede Wereldoorlog zijn er nog altijd mensen die worstelen met de verschrikkingen die toen plaatsvonden. Dat geldt niet alleen voor de overlevers, maar ook voor hun kinderen en kleinkinderen. Een oorlogstrauma kan worden overgedragen van opa op vader op zoon: in Nederland worden op dit moment zo'n vijftig mensen behandeld voor een trauma gerelateerd aan de Tweede Wereldoorlog – een oorlog die ze dus zelf niet meemaakten. Hoe gebeurt dat?

Gil Yitshaki is werkzaam in het Sinai Centrum te Amsterdam, waar hij samen met andere psychologen deze mensen begeleidt. Een oorlogstrauma gaat volgens hem generaties terug, tot aan de Joodse opa's en oma's die als enigen van de familie terugkwamen uit de concentratiekampen: ‘Zij werden gezien als sterke mensen, maar hadden vreselijke dingen meegemaakt en konden daar in die tijd vaak moeilijk over praten. Behandeling bestond niet, hun posttraumatisch stresssyndroom werd over het hoofd gezien.’

'Dingen als afscheid nemen en op een trein stappen; dat werden na de oorlog hele beladen dingen voor Joodse mensen. Overlevenden groeiden op met het gevoel “niemand is te vertrouwen”. Het basale gevoel van veiligheid konden zij daardoor niet aan hun eigen kinderen doorgeven,’ legt Yitshaki uit. ‘Sommige mensen die de oorlog meemaakten kozen er bewust voor om - uit bescherming - over de oorlog te zwijgen tegen hun kinderen, waardoor angst ontstond bij hen. Andere overlevenden konden niet stoppen erover te praten en dat bracht ook traumatisering van hun kinderen met zich mee. Deze kinderen [de huidige generatie vijftigers/zestigers] groeiden daardoor op met nieuwe problemen, ze namen als het ware het trauma van hun ouders over.’

nooit een knuffel

Gil Yitshaki behandelt mensen met een oorlogstrauma in het Sinai Centrum

Gil Yitshaki behandelt mensen met een oorlogstrauma in het Sinai Centrum

Dat had zijn weerslag op de kinderen die zij kregen. De kleinkinderen van mensen die de oorlog meemaakten dus, ofwel de derde generatie. Mensen die nu rond de dertig, veertig jaar zijn. ‘Ik heb mensen in behandeling die nog nooit een knuffel hebben gekregen van hun ouders. Er is een hechtingstheorie die stelt dat kinderen veiligheid nodig hebben, dat gevoel is existentieel. Zonder een gevoel van veiligheid kun je als het ware niet bestaan. Als je ouders die veiligheid niet kunnen bieden, groei je op in angst. Kinderen van Joodse ouders en voorouders die opgroeiden in de jaren negentig, kampten daardoor met psychische problemen voortkomend uit het oorlogstrauma van hun ouders: affectie- en hechtingsproblematiek.’

Hij vervolgt: ‘Kinderen van beschadigde ouders hebben het gevoel voor hun ouders te moeten zorgen, sterker te moeten zijn. Maar hoe moet een kind z’n ouders beschermen? Dat doen ze door pleaser-gedrag, het niet aangaan van conflicten… Zo komt het bij een derde generatie tot uiting. Ik heb cliënten die als kinderen cadeautjes kochten voor hun ouders. Hoe omgekeerd kan het zijn?’

De psychische problemen die de derde generatie ervaart, zijn heel andere problemen dan die van de generaties ervoor. ‘Maar het zijn wel problemen die voortkomen uit het oorlogstrauma van ouders en voorouders. Een trauma wordt dus niet een op een overgedragen, maar het ene probleem komt voort uit het andere,’ aldus Yitshaki. Hij spreekt over overdracht door psychosociale factoren zoals interactie en opvoeding, maar sinds tien jaar wordt ook de biologische overdraagbaarheid van trauma’s onderzocht. Misschien is een trauma dus erfelijk.

een verandering op je DNA

Psychiater en neurowetenschapper Bart Rutten van het Maastricht Universitair Medisch Centrum + is een van de weinige onderzoekers ter wereld die zich bezighoudt met de zogenoemde ‘epigenetische’ effecten van trauma’s. ‘Het onderzoeksgebied richt zich vooral op wat er in de hersenen gebeurt bij psychische stoornissen zoals PTSS, psychose of depressie.'

'Epi' betekent 'op' of 'erbij' in het Grieks. Dat betekent dat niet dat de letters van je DNA zelf veranderen als je een traumatische gebeurtenis ervaart, maar de afleesbaarheid ervan. Een verandering op of aan je DNA dus. 'We weten er nog relatief weinig van, maar het is een interessant onderzoeksgebied. Hoe sterker de gebeurtenis die je meemaakt, hoe meer een beroep wordt gedaan op je aanpassingsvermogen. Bij een trauma is dat het geval. Daarbij treden allerlei psychologische en biologische processen in werking. Ook de sociale context is van invloed; het hangt allemaal samen.’

Tot nu toe is alleen bij dieren bewezen dat de effecten van een trauma overerfbaar kunnen zijn: ‘Bij menselijk onderzoek zijn de uitkomsten nog wisselend, maar we weten uit studies met muizen dat ernstige stress, met name tijdens de jeugd overdraagbaar kan zijn. In een studie werd bijvoorbeeld gevonden dat muizen van getraumatiseerde ouders minder motivatie op konden brengen. Een andere studie wees uit dat diezelfde muisjes flexibeler waren. Negatieve, maar ook positieve gevolgen kunnen dus overerfbaar zijn.’

een ander epigenetisch profiel

'Om bij mensen te onderzoeken of een trauma mogelijk epigenetisch overdraagbaar is, moet je over verschillende generaties onderzoek doen. Het enige onderzoek naar de relatie tussen de Holocaust en epigenetica werd gedaan door de onderzoeksgroep van professor Rachel Yehuda. Zij onderzocht of naar de VS gevluchte kinderen die de Tweede Wereldoorlog meemaakten een ander epigenetisch profiel hadden dan Joodse families die vóór de oorlog naar de VS kwamen.'

'Yehuda vond zo een relatie tussen blootstelling aan de Holocaust en hun epigenetisch profiel. Yehuda keek ook naar de nakomelingen van deze kinderen: zie je dit epigenetisch profiel hier terug? Nakomelingen van ouders die waren blootgesteld aan de Holocaust hadden een iets ander epigenetisch profiel in een stress-gen dan nakomelingen van ouders die niet direct de Holocaust hadden meegemaakt.'

'Het genezen van een trauma bestaat niet, je draagt het altijd met je mee.'

psycholoog Gil Yitshaki van het Sinai Centrum

Toch moeten we de resulaten van dat onderzoek volgens Rutten zeer voorzichtig interpreteren. Het aantal mensen dat onderzocht werd, was volgens Rutten klein, en mogelijk niet representatief voor een bredere groep. Verder was er een discrepantie in de richting van epigenetische profielen; die waren namelijk niet hetzelfde bij ouders en hun kinderen. 'Meer onderzoek is dus zeker nodig, maar er zijn wel eerste suggesties voor een relatie tussen het ervaren van trauma’s en een veranderend epigenetisch profiel.’

uitdagingen in het onderzoek

Wat volgens Rutten het interessantst zou zijn, is het bestuderen van cellen uit hersenregio’s die de stresshormoonhuishouding regelen: ‘In plaats van bloedcellen waar we nu DNA-onderzoek naar doen, kunnen we inmiddels zenuwcellen maken van stamcellen die uit huidbiopten komen. Dat zijn niet precies dezelfde cellen als in je hersenen, maar ze bevatten wel dezelfde genetische informatie. Als je deze zenuwcellen bestudeert, kun je kijken hoe die omgaan met cortisol – het stresshormoon. Gaan de zenuwcellen bijvoorbeeld allemaal dood bij veel stress, of worden ze kleiner? Het zou kunnen dat getraumatiseerde mensen die pathologie ontwikkelen en anders reageren op deze prikkels dan mensen die erg weerbaar zijn.'

Mocht de relatie bewezen worden, dan is de maatschappelijke impact groot: ‘Stel je voor, het is daadwerkelijk zo dat de ervaringen van je voorouders een belangrijke rol spelen bij je eigen gezondheid en de vorming van je biologische profiel,' overdenkt Rutten de consequenties. 'Er is veel maatschappelijke interesse om deze processen bestudeerd te hebben, echter brengt het ook heel veel complicaties met zich mee. Maar voor deze studies is de tijd wel rijp denk ik.'

taboe

In het Sinai Centrum behandelt Yitshaki ondertussen meer en meer mensen. ‘Het duurt soms jaren voordat een cliënt doorheeft dat problemen in het hier en nu zoals depressie, angsten of persoonlijkheidsstoornissen te herleiden zijn naar de Joodse afkomst en trauma’s van eerdere generaties. Zo’n trauma komt bovendien vaak pas op latere leeftijd bovendrijven, bijvoorbeeld na een ingrijpende verandering zoals een echtscheiding, een ontslag of als de kinderen uit huis gaan. We zien dan ook een toename van het aantal cliënten, mensen melden zich pas rond hun vijftigste, zestigste, zeventigste. Naarmate ze ouder worden hebben ze minder kracht en energie om problemen te kunnen onderdrukken. Je ziet meestal ook mensen die vanuit het niets ineens niet meer functioneren.’

Het feit dat steeds meer mensen zich melden geeft volgens Yitshaki aan dat het taboe op behandeling langzaam verdwijnt. Daarnaast lijken de naweeën van de oorlog bij de derde generatie minder te worden. Toch zijn er nog zo’n vijftig mensen in behandeling, die hard werken aan zichzelf. ‘Het genezen van een trauma bestaat niet, je draagt het altijd met je mee. Maar je kunt wel werken aan het veranderen van de betekenis ervan, zodat je er na behandeling minder last van hebt.'

Joodse oorlogsslachtoffers en hun nakomelingen zijn daarbij volgens Yitshaki niet de enige groep Nederlanders voor wie behandeling belangrijk is. ‘Ook kinderen van mensen uit Nederlands-Indië zullen met psychotrauma’s of de naweeën ervan te maken krijgen, net als kinderen van immigranten uit oorlogsgebieden zoals Syrië. Meer behandeling is daarom erg belangrijk. Ik denk dat het helpt om de overdraagbaarheid van deze trauma’s te verminderen.’

In de samenleving is het bestaan van deze trauma’s nauwelijks bekend. ‘De oorlog is voor heel veel mensen iets van het verleden, het is ver weg. Maar voor deze mensen is het iets van vandaag.’

Bezweet van verdriet
Bevriest jouw adem mijn lichaam
Jouw adem, zonder geur of gezicht
Die ik ken en ook zo mis
Ik voel je handen
Die iemand me ooit beschreef
Ik zie je lach
Die ondergedoken bleef
Ik huil jouw tranen
En leef jouw verdriet
Ik wou dat ik je kon zeggen
Vergeet me niet

Een gedicht van Iris Hond over haar Joodse opa, die als enige van de familie terugkeerde uit de concentratiekampen.

advertentie