Nederland was op geen enkele manier verplicht om Argentinië te helpen aan de reisgegevens van Julio Poch, zodat hij in Spanje kon worden gearresteerd. Minister Grapperhaus, het Openbaar Ministerie en de onderzoekscommissie-Machielse zien al jaren een cruciaal detail over het hoofd.

Dit zegt Harmen van der Wilt, hoogleraar internationaal strafrecht tegen Argos, na bestudering van het rapport van de commissie-Machielse, die de zaak-Poch afgelopen twee jaar onderzocht. 

Volgens Van der Wilt verdient de Nederlands-Argentijnse piloot rehabilitatie en financiële compensatie, vanwege de ‘ondoordachte’ en ‘kwestieuze’ handelswijze van Nederland en het lange voorarrest dat daarop volgde.

Minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid en het Openbaar Ministerie hebben altijd gezegd dat Nederland, vanwege internationale verdragen, niet anders kon dan Argentinië voorzien van informatie over de Transavia-vluchten van Poch. 

Door die handreiking kon Poch in 2009 op de luchthaven van Valencia worden gearresteerd en uitgeleverd aan Argentinië. Daar zat hij acht jaar in voorarrest op verdenking van misdrijven tijdens de Argentijnse dictatuur, voordat hij eind 2017 op alle punten werd vrijgesproken.

Folteringsverdrag

In antwoord op Kamervragen over de Nederlandse rechtshulp aan Argentinië, wijst Grapperhaus telkens naar het Verdrag tegen foltering. Artikel 9 van dat verdrag stelt dat landen elkaar de grootst mogelijke mate van rechtshulp moeten verlenen bij vervolging van verdachten van foltering. 

Argentinië vroeg Nederland in 2009 op basis van dit Folteringverdrag om de reisbewegingen van Poch. Nederland had dus geen andere keus dan het Argentijnse rechtshulpverzoek te honoreren, stellen Grapperhaus en het openbaar ministerie. De commissie-Machielse, die afgelopen maandag haar eindrapport over de zaak-Poch presenteerde, is het daarmee eens.

Maar Harmen van der Wilt zegt dat dit niet klopt. ‘Het Folteringverdrag kan geen basis zijn voor een verplicht rechtshulpverzoek’, stelt de hoogleraar. ‘Omdat het nog helemaal niet bestond in de tijd dat de misdrijven werden begaan waarvan Poch werd verdacht.’

Hoge Raad: niet met terugwerkende kracht

Poch zou als marine-vlieger in dienst van de Argentijnse dictatuur hebben meegedaan aan de zogeheten dodenvluchten. Daarbij werden tegenstanders van het regime boven zee levend uit vliegtuigen gegooid. 

De junta van Videla was aan de macht van 1976 tot 1983. Maar Van der Wilt wijst erop dat het Verdrag tegen foltering pas bestaat sinds 1984. ‘En dat verdrag mag je niet met terugwerkende kracht toepassen op misdrijven die voordien hebben plaatsgevonden.’ In 2001 bepaalde de Hoge Raad in de strafzaak tegen Desi Bouterse dat de wet die foltering strafbaar stelt, niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast. Nederland heeft het Folteringsverdrag in 1988 in een wet gegoten. Argentinië deed dat in 1987.

Van der Wilt: ‘Dat betekent dat Poch niet kon worden vervolgd wegens foltering, en dat Argentinië er dus eigenlijk ook geen rechtshulpverzoek op kon baseren. Dat is het Nederlandse Openbaar Ministerie en de commissie-Machielse in deze zaak volgens mij ontgaan. Dat is nogal wat. Want daarmee is meteen de uitspraak van tafel dat Nederland verplicht was om aan dat rechtshulpverzoek mee te werken en die reisgegevens van Poch aan de Argentijnen te geven.’ 

Poch stelde in 2018 de Nederlandse staat aansprakelijk voor schade geleden tijdens zijn achtjarig voorarrest in Argentinië.

Na de mogelijke poging tot interventie door iemand uit kringen rond het Koninklijk Huis lijkt dit voor Grapperhaus een tweede kwestie in de Poch-affaire te worden waarover hij nadere uitleg moet geven aan de Tweede Kamer. 

De commissie-Machielse baarde maandag opzien met haar rapport, waarin een uitgebreide passage stond over een telefoontje, mogelijk vanuit kringen rond het koningshuis, waarin met zoveel woorden werd verzocht om te stoppen met het politieonderzoek naar Poch. Commissielid Egbert Myjer vertelde daarover maandag in een interview met Argos.

Myer: 'Ik vind het opmerkelijk dat er een aantal dingen zijn gebeurd die wij niet kunnen verklaren'

Prinses Beatrix, koning Willem-Alexander en koningin Máxima hebben laten weten dat zij van niets weten. Toch wil de Tweede Kamer dat de Rijksrecherche onderzoekt of er is gelekt uit het onderzoeksteam van politie en justitie.

Daar komt nu mogelijk een nieuwe heikele vraag bij: heeft Grapperhaus de Kamer juist ingelicht toen hij zei dat Nederland verdragsrechtelijk werd gedwongen om vergaand mee te werken aan de arrestatie en uitlevering van Poch aan Argentinië?

De commissie-Machielse zit geheel op de lijn van de minister. Nederland mag een dergelijk rechtshulpverzoek alleen weigeren als zich ‘wezenlijke belemmeringen’ voordoen of ‘in strijd met fundamentele beginselen van het Nederlands procesrecht’ wordt gehandeld. 

‘Het verstrekken van gegevens aan het buitenland mag niet afspringen op het feit dat het om een Nederlander gaat die als gevolg van die inlichtingen in het buitenland wordt aangehouden met het oog op vervolging en berechting’, schrijft de commissie. ‘Het belang van internationale samenwerking staat voorop.’

Commissielid en oud-rechter Egbert Myjer lichtte dit standpunt maandag na de presentatie van het rapport toe in een interview met Argos. Daarin wees hij meteen ook hoogleraar Van der Wilt fijntjes de les. 

Van der Wilt had eerder al in Argos aangegeven dat er geen verdragsrelatie tussen Nederland en Argentinië bestond. Myjer reageerde subtiel vilein: ‘Ik denk dat hij het hele Folteringverdrag dan niet kent’, zei hij. ‘Dat zou wel jammer zijn. Artikel 9 – ik zal het er voor hem bij zeggen.’

Myer: 'Ik zal het er voor hem bij zeggen: Artikel 9 van het Folteringsverdrag'

Volgens Van der Wilt was het voor Nederland inderdaad niet verboden om dit soort rechtshulp te verlenen, maar het gaat het te ver om te zeggen dat Nederland verdragsrechtelijk gedwongen werd mee te werken. ‘Je kunt zeggen: vanwege de goede verstandhouding en de internationale betrekkingen zijn wij bereid om toch aan dat verzoek te voldoen. En misschien dacht Nederland met betrekking tot Poch ook: waar rook is, is vuur, dus laten die Argentijnen dat maar verder goed uitzoeken.’ 

‘Maar het Nederlandse Openbaar Ministerie stelde heel stellig: de Argentijnse rechtsmacht is veel groter. Maar: op grond waarvan dan? Op grond van delicten die hoogstwaarschijnlijk al verjaard zijn?’

Gebrek aan bewijs

Poch stelt de Nederlandse Staat aansprakelijk voor de geleden schade tijdens het jarenlange voorarrest, omdat het Argentinië ruimhartig hielp bij de arrestatie en uitlevering aan Spanje. Poch heeft zowel een Argentijns als een Nederlands paspoort. Omdat het uitleveringsverdrag met Argentinië de uitlevering van eigen onderdanen verbiedt kon Nederland hem niet zelf aanhouden en uitleveren. Spanje had die mogelijkheid wel.

Commissielid Egbert Myjer zegt dat ‘het echte bewijs’ over de betrokkenheid van Poch bij de gruwelijkheden uit de jaren ’70 en ‘80 uit Argentinië moest komen. ‘Nederland had informatie van Argentinië gekregen waarvan men eigenlijk vond: dat is teleurstellend, als dat het is, hebben we dan wel voldoende?’

Maar de Argentijnen noemden Poch op een gegeven moment een confirmed suspect. Daardoor ontstond volgens Myjer bij de Nederlandse politie het idee dat de Argentijnen waarschijnlijk meer bewijs tegen hem hadden. ‘En als Argentinië dan vraagt: wij willen ‘m hebben, dan moet je in het kader van het wederzijds vertrouwen tussen twee staten daaraan meewerken.’

Myer: 'Als Argentinië zo'n grote broek aan trekt, dan moet Argentinië ook meer hebben.'

Daarmee lijkt de commissie enigszins voorbij te gaan aan een heldere bepaling in het uitleveringsverdrag tussen Nederland en Argentinië: De uitlevering van eigen onderdanen aan Argentinië is verboden. Had Nederland niet meer moeten handelen in de geest van die bepaling, namelijk: Nederlanders verschijnen in principe niet voor een Argentijnse rechter? Had Nederland bijvoorbeeld niet voorrang moeten geven aan vervolging van Poch in eigen land?

Myer: 'In Argentinië was het het hele feitencomplex - het meedoen met dodenvluchten an sich - nog vervolgbaar.'

‘Dat was ook de oorspronkelijke opzet’, zegt Myjer. ‘Maar de moeilijkheid was dat die melding in 2006 kwam. De feiten waarover we het hebben, zijn gepleegd tijdens de Vuile Oorlog, tussen 1976 en 1983. Op basis van onze bestaande wetgeving waren zelfs delicten als moord verjaard. Daar zou je hem in Nederland niet meer voor kunnen vervolgen. 

‘Het enige delict waar je hem in Nederland nog voor zou kunnen vervolgen, was het verzwijgen van wat er gebeurd is met mensen die uit die vliegtuigen zijn gegooid. En dat was nog nooit geprobeerd. En dan had je ook weer de medewerking nodig gehad van Argentinië.’

De Argentijnse autoriteiten hadden volgens Myjer precies moeten aangeven bij welke dodenvluchten Poch betrokken was geweest. Terwijl in Argentinië ‘het hele feitencomplex, het meedoen aan dodenvlucht an sich, nog vervolgbaar’ was.

Harmen van der Wilt betwijfelt dat. De verjaringstermijn van een misdrijf is immers gekoppeld aan de ernst van het feit. ‘Het lijkt erop dat het Nederlandse Openbaar Ministerie dit verhaal er een beetje omheen heeft gebouwd. Zo van: wij kunnen niet zo veel met deze zaak. En de bravoure waarmee zij dat vormgeven, zo van: wij konden niks anders, dat is kwestieus.’ 

Boos complot

Voor de goede orde: Van der Wilt denkt niet dat de handelswijze van Nederland geheel onrechtmatig was. Hij is het met de commissie eens dat Nederland zich niet schuldig heeft gemaakt aan een (verboden) verkapte uitlevering van Poch. In dat geval had de piloot onder dwang naar Spanje moeten zijn gegaan of onder valse voorwendselen ernaartoe moeten zijn gelokt. Poch ging uit eigen beweging: hij was piloot op een Transavia-vlucht naar Valencia.

‘Maar de beslissingen zijn allemaal nogal bruusk genomen’, zegt Van der Wilt. ‘En achteraf probeert men het allemaal toe te dekken met het argument: we konden eigenlijk geen kant op. Dat vind ik niet helemaal kosher.’ 

‘De commissie gaat daar wat makkelijk in mee. Want de commissie stelt: je moet als land vertrouwen hebben in het rechtsstelsel van het land waaraan je medewerking verleent. Ja, hoor eens, je kunt wel van alles schreeuwen.’ 

Hij vervolgt: ‘Dan hadden de Argentijnen net zo goed kunnen zeggen: we doen een rechtshulpverzoek op basis van de Geneefse Conventies en doen even net alsof er tijdens de junta sprake was van een internationaal gewapend conflict. Dat soort dingen moet je natuurlijk wel eerst even heel goed uitzoeken.’ 

Van der Wilt benadrukt dat hij geen boos complot ziet van de Nederlandse overheid tegen Poch. ‘Ik denk dat het Openbaar Ministerie te goeder trouw heeft gehandeld. Maar het blijft ten opzichte van Poch een moeilijk te verteren zaak. Hij is Nederlands staatsburger. En er worden door het openbaar ministerie een aantal inschattingen gemaakt die wat lichtzinnig zijn gedaan, vind ik. 

‘Dit alles zou aanleiding moeten zijn voor Nederland om grootmoedig toe te geven dat het allemaal beroerd is gelopen. En dat het inschattingsfouten heeft gemaakt met betrekking tot de schuld van Poch. 

‘Als het een Nederlandse zaak was geweest, had Poch een ruime schadevergoeding hebben gekregen. Nu is het in Argentinië gebeurd en krijgt hij niets. Maar Nederland heeft er wel de hand in gehad. Dus laten we nou niet te beroerd zijn om te zeggen: huppakee, schadevergoeding, een zeker eerherstel en de erkenning dat Nederland weliswaar niet onrechtmatig maar wel overhaast en ondoordacht heeft gehandeld.’