Het beeld van de ‘klassieke loverboy’ die misbruik maakt van de verliefdheid van zijn slachtoffer is aan herijking toe, blijkt uit nieuw onderzoek van het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM). Ook opvallend: slachtoffers en daders blijken veelal dezelfde getroebleerde achtergrond te delen. ‘Soms zitten de slachtoffers en de plegers in dezelfde gesloten jeugdzorginstelling.’

Voor de analyse hielden de onderzoekers onder meer 25 opsporingsdossiers tegen het licht, waarbij daders zijn veroordeeld voor het seksueel uitbuiten van een of meerdere slachtoffers tot 24 jaar. Daaruit doemt allerminst het beeld op van de ‘klassieke loverboy’, die meisjes verleidt met aandacht en cadeaus en ze zoetjes aan de prostitutie in praat. Daders zijn opvallend jong en hebben vaak een traumatische ervaring meegemaakt in de vroege jeugd. Dan gaat het bijvoorbeeld om geweld thuis, verwaarlozing of trauma’s uit een ‘lange voorgeschiedenis in verschillende internaten of pleeggezinnen’. Een groot deel van de daders heeft schulden en is al eens eerder met de politie in aanraking geweest voor zware vergrijpen, zoals mishandeling. Ook heeft meer dan een derde van de onderzochte daders geen schooldiploma.

De onderzoekers signaleren dat het ronselen hardvochtiger wordt en ook sneller gaat. De helft van de slachtoffers wordt al na enkele dagen tot een week na het eerste contact gedwongen tot seks tegen betaling. Volgens het CKM lijken daders zich bewust te richten op jonge en kwetsbare slachtoffers, zoals kinderen die in een jeugdinstelling verblijven.

Afgelopen zaterdag vertelde Anke van Dijke in Argos hoe dit ronselen in de praktijk gaat. Van Dijke is bestuurder bij Fier, expertise- en behandelcentrum op het gebied van geweld in afhankelijkheidsrelaties, waaronder CKM valt: ‘Het zijn vooral groepen van criminele jongvolwassen mannen waar vaak kinderen uit jeugdinstellingen rondom heen zwermen. Die kinderen zijn soms daders en soms slachtoffer.’ Volgens Van Dijke kennen deze kinderen elkaar uit jeugdzorginstellingen. ‘Jammer genoeg verplaatsen we kinderen heel veel in de jeugdzorg. Ze worden dan elkaars netwerk.’

De Nationaal Rapporteur Mensenhandel Herman Bolhaar, constateerde eerder dat daders van binnenlandse seksuele uitbuiting opvallend jong zijn. Hij zei zich daarover grote zorgen te maken – en pleitte voor meer kennis over de achtergronden van deze jonge daders, om uiteindelijk te voorkomen dat ze kiezen voor een criminele carrière.

Voor het voorkomen van dader- en slachtofferschap moeten hulpverleners volgens Van Dijke kijken naar de voedingsbodem voor dit gedrag en daar de behandeling op richten: ‘Het is gedrag dat voortkomt uit pijn, uit trauma's. Het zijn vaak jongeren die volwassenen niet meer vertrouwen. Die jongeren hebben zoveel negatieve ervaringen dat ze schijt hebben aan de samenleving.’ Volgens Van Dijke moeten hulpverleners er daarom vroeg bij zijn: ‘Je ziet zowel bij jongens als meiden de eerste signalen op twaalf-, dertien-, veertienjarige leeftijd of zelfs eerder. Het zou echt mooi zijn als we gaan kijken hoe we kunnen voorkomen dat jongeren dit pad op gaan.’